ECLI:NL:RBDHA:2025:18156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielmotief en onvoldoende vrees voor vervolging door Taliban
Eiser, een Afghaanse Oezbeek, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vrees voor vervolging door de Taliban, mede vanwege de betrokkenheid van zijn familie bij de Arbaki, een lokale politie-eenheid. Zijn vader had de Taliban ontvlucht na gevangenschap en dreiging met de dood, en eiser stelde dat hij als oudste zoon doelwit was van de Taliban. Daarnaast stelde eiser discriminatie op grond van zijn etniciteit.
Verweerder wees de aanvraag af omdat het asielmotief betreffende de Taliban niet geloofwaardig werd geacht. De rechtbank oordeelde dat eiser wisselende en onlogische verklaringen gaf over data, de ontsnapping van zijn vader onwaarschijnlijk was, en dat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat de Taliban het specifiek op hem hadden gemunt. Ook de discriminatie werd als onvoldoende zwaarwegend beoordeeld.
De rechtbank behandelde de beroepsgronden en concludeerde dat verweerder terecht het asielmotief ongeloofwaardig achtte. De verklaringen van eiser waren inconsistent en niet samenhangend. Ook de vrees voor vervolging werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat eiser geen prominente positie had en geen ernstige beperkingen ondervond in Afghanistan.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Er werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.