ECLI:NL:RBDHA:2025:18222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 september 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.40849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 5.1b VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Franse nationaliteit, werd op 24 augustus 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij onterecht op grond van artikel 50, tweede lid, was opgehouden, terwijl artikel 50, derde lid, van toepassing zou zijn geweest. De rechtbank oordeelde echter dat de ophouding op de juiste grondslag was gebaseerd, mede omdat eiser tijdens de ophouding niet over een identiteitsdocument beschikte.

Eiser voerde aan dat het M122-formulier ontbrak, maar de rechtbank stelde vast dat dit formulier niet verplicht was omdat eiser niet in strafrechtelijke detentie had gezeten. De minister had voldoende gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser betwistte enkele lichte gronden, maar liet de zware gronden onbestreden, waardoor de maatregel standhield.

Verder wees eiser het ontbreken van een lichter middel aan, omdat hij over eigen middelen beschikte om terug te keren naar Frankrijk. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet volstond, mede vanwege het gebrek aan medewerking van eiser en zijn eerdere nalaten Nederland vrijwillig te verlaten.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat geen belemmeringen bestonden op grond van familie- of non-refoulementbeginselen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40849
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. In het dossier is een door twee functionarissen van Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht op 5 september 2025 ondertekende afstandsverklaring opgenomen inhoudende dat eiser medisch niet in staat is om de zitting bij te wonen.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Franse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989.
Ophouding
2. Eiser voert aan dat hij op onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, maar dit had artikel 50, derde lid, van de Vw moeten zijn. Eiser zijn identiteit was namelijk al tijdens zijn strafrechtelijke aanhouding vastgesteld.
3. De rechtbank oordeelt dat eiser op de juiste grondslag is opgehouden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 20211, volgt dat bij de ophouding de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen, maar dat dit niet betekent dat
die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard. Uit het proces-verbaal van de ophouding volgt dat eiser tijdens zijn ophouding niet over een identiteitsdocument beschikte. De minister mocht eiser op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw ophouden. De beroepsgrond slaagt niet.
M122 formulier
4. Eiser voert aan dat het M122 formulier ten onrechte ontbreekt in het dossier.
5. De rechtbank overweegt dat volgens paragraaf A6/12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 de minister door middel van het model M122 de vreemdeling op de hoogte stelt dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Uit het dossier volgt dat eiser aansluitend aan zijn strafrechtelijke aanhouding is overgedragen aan de vreemdelingrechtelijke autoriteiten, zonder dat hij in strafrechtelijke detentie heeft gezeten. De minister had daarom geen M122 formulier aan eiser hoeven uitreiken en was dan ook niet verplicht om het formulier in het dossier op te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser betwist lichte gronden 4c en 4d.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3b en 3c die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. Samen zijn deze gronden voldoende om de maatregel te dragen, zodat een significant risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan een lichter middel. Eiser beschikte over € 58,75 en daarmee had hij zelfstandig zijn terugkeer naar Frankrijk willen regelen.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering daarvan volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Uit het proces-verbaal van gehoor en de vertrekgesprekken blijkt dat eiser geen medewerking verleent voor zijn zelfstandige terugkeer. Daarnaast heeft de minister in de maatregel overwogen dat eiser, nadat zijn verblijfsrecht was ingetrokken, Nederland niet uit eigen beweging heeft verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

11. De rechtbank ziet met inachtneming van de ambtshalve toets geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
12. Verder is gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.2
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.