De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 19 augustus 2025. De eiser stelde onder meer dat de digitale handtekening van de maatregel niet verifieerbaar was en dat hij ten onrechte werd opgehouden.
De rechtbank verifieerde de digitale handtekening en oordeelde dat deze aan de vereisten voldeed. De rechtbank stelde vast dat eiser rechtmatig werd opgehouden vanwege zijn illegale verblijf van 35 jaar en eerdere terugkeerbesluiten. De minister had voldoende gronden voor de maatregel, waaronder risico op onttrekking aan toezicht, en de rechtbank verwierp het betoog dat er geen zicht op uitzetting was.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister terecht geen lichter middel toepaste, omdat eiser niet actief meewerkte aan zijn terugkeer. De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit op het non-refoulementbeginsel en het belang van het familie- en gezinsleven, en vond geen aanwijzingen dat deze belangen zouden worden geschaad.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.