ECLI:NL:RBDHA:2025:1823

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
NL25.3977
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Marokkaanse asielzoeker tegen de maatregel van bewaring die aan hem was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel was reeds opgeheven voordat de rechtbank uitspraak deed. Het beroep werd tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding wegens de tenuitvoerlegging van de bewaring.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest. De minister had de bewaring opgelegd op grond van een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordeningen en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte alle gronden en voerde aan dat hij als asielzoeker niet op de voorgeschreven wijze Nederland kon binnenkomen en dat hij niet tijdig was uitgenodigd voor vertrekgesprekken.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de gronden had aangevoerd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en niet voldeed aan verplichtingen uit het Vreemdelingenbesluit, waardoor een significant risico op het ontlopen van toezicht bestond. De overige gronden behoefden geen bespreking. De ambtshalve toets leidde tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3977

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 7 februari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 10 februari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij een asielzoeker is en om die reden hij niet op voorgeschreven wijze Nederland kon binnenkomen. Verder verbleef hij op de AZC [5] Grave en heeft hij geen dan wel te laat uitnodigingen ontvangen voor de vertrekgesprekken waar hij niet bij aanwezig is geweest. Dit kan niet aan eiser worden toegerekend. Ook is niet gebleken dat aan eiser ooit is gevraagd om inspanningen te verrichten om aan identiteitsdocumenten te komen. De lichte grond 4a is geen zelfstandige grond en betreft een herhaling van de motivering bij de zware gronden. Tot slot kan eiser zich niet inschrijven in de BRP [6] , omdat hij nog geen zes maanden in Nederland verblijft. Hij verblijft in het AZC en heeft daar beperkte inkomsten, zodat hij traceerbaar is voor de autoriteiten.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware grond 3a en de lichte grond 4a aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt niet over een nationaal paspoort of ander document voor grensoverschrijding waarmee hij Nederland mocht inreizen. Dat hij als asielzoeker is ingereisd, maakt niet dat deze grond niet aan hem kan worden tegenworpen. Verder heeft verweerder in de maatregel van bewaring concreet onderbouwd aan welke verplichtingen eiser niet heeft voldaan, zoals de verplichting uit artikel 4.21 van het Vb. Deze gronden zijn reeds voldoende om aan te nemen dat sprake is van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Asielzoekerscentrum.
6.Basisregistratie Personen.