ECLI:NL:RBDHA:2025:18264
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bedreiging door Butt-kaste en misleiding visum
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, diende op 12 juli 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege bedreigingen en aanvallen door leden van de Butt-kaste vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer naar Pakistan. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat het asielrelaas over de problemen met de Butt-kaste ongeloofwaardig werd bevonden en eiser misleidende informatie had verstrekt over zijn visum.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 4 september 2025. De rechtbank oordeelde dat het aangevoerde Adrar-arrest niet relevant was voor deze zaak. Tevens vond de rechtbank dat verweerder terecht de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde bedreigingen in twijfel trok, mede omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk doelwit was en de beschietingen niet overtuigend waren toegeschreven aan de Butt-kaste.
Verder vond de rechtbank dat het feit dat eiser meerdere keren vrijwillig naar Pakistan was teruggekeerd, afbreuk deed aan de geloofwaardigheid van zijn vrees. Ook werd geoordeeld dat eiser misleidende informatie had verstrekt over zijn visum, aangezien hij niet had gemeld dat het visum vals kon zijn, terwijl hij daarvan op de hoogte had kunnen zijn.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond mocht afwijzen en dat het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod rechtmatig waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens ongeloofwaardige bedreiging en misleiding visum.