Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank bij uitspraak van 3 december 2024 een termijn van zestien weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Deze termijn is inmiddels verstreken zonder dat een besluit is genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, omdat in de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn was gesteld. De minister heeft niet binnen deze termijn alsnog een besluit genomen, waardoor het beroep kennelijk gegrond is.
De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken na verzending van deze uitspraak vast, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag overschrijding, met een maximum van €37.500.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier S.J. Simorangkir op 13 augustus 2025.