ECLI:NL:RBDHA:2025:18377
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang derdelander uit Oekraïne
Verzoeker, een Indiase nationaliteit dragende derdelander uit Oekraïne, maakte aanspraak op tijdelijke bescherming en opvang in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming 2001/55/EG. Deze bescherming is beëindigd op 4 maart 2024, waarna een tijdelijke bevriezingsmaatregel hem recht gaf op opvang en werk tot 4 september 2025. Verweerder heeft op 5 augustus 2025 een terugkeerbesluit genomen met een vertrektermijn van vier weken vanaf 4 september 2025.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit terugkeerbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te schorsen en opvang en werk voort te zetten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het terugkeerbesluit niet prematuur is genomen, mede gelet op jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verzoekers asielaanvraag is buiten behandeling gesteld en er is geen sprake van rechtmatig verblijf.
Verder betoogde verzoeker dat verweerder een geactualiseerde beoordeling van het refoulementrisico had moeten maken, vanwege zijn lidmaatschap van de Chamar-gemeenschap in India. Dit is onvoldoende onderbouwd en India is als veilig land aangemerkt. Ook is geen schending van artikel 8 EVRM Pro vastgesteld. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit en beëindiging van opvang wordt afgewezen.