De vader verzocht de rechtbank om de omgangsregeling met zijn minderjarige kind uit te breiden en de begeleiding door een instelling te beëindigen, stellende dat hij voldoende opvoedkundige capaciteiten bezit en een hechte band met het kind heeft.
De moeder betwistte dit en stelde dat de vader vanwege zijn foetaal alcohol syndroom moeite heeft met het overzien van zijn leven en het nemen van verantwoordelijkheden, wat de omgang bemoeilijkte. De omgang werd intensief begeleid en evaluaties waren niet altijd positief. Het kind gaf aan geen contact meer met de vader te willen.
De rechtbank overwoog dat ondanks jaren van begeleiding de omgang niet goed tot stand is gekomen, het kind zich teleurgesteld voelt en geen contact wenst. De vader is niet in staat zijn verantwoordelijkheden te nemen, wat nadelig is voor het kind. De moeder staat het contact niet in de weg, maar het kind heeft behoefte aan rust en duidelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het kind is om geen omgangsregeling vast te stellen, maar gaf aan dat contact in de toekomst mogelijk is als de vader zich inzet. De beschikking van 28 augustus 2018 wordt gewijzigd en het verzoek van de vader wordt afgewezen.