ECLI:NL:RBDHA:2025:185
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en proportionaliteit van bewaring vreemdeling na opheffing maatregel
De minister van Asiel en Migratie legde op 8 juli 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Gambiaanse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op 19 december 2024 op na een verzwaarde belangenafweging ten gunste van eiser.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring in de periode van 8 november tot en met 17 december 2024, aangezien de maatregel tot dat moment reeds als rechtmatig was beoordeeld. Eiser stelde dat de maatregel niet langer rechtmatig en proportioneel was, onder meer vanwege het ontbreken van actuele gronden, het uitblijven van voortvarende uitzettingshandelingen en het ontbreken van een lichter middel gezien medische omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voortvarend had gehandeld, onderbouwd door schriftelijke rappels en toelichtingen over de moeizame LP-procedure. Ook was er nog zicht op uitzetting en was eiser niet meewerkend tijdens vertrekgesprekken. Het verzoek om een lichter middel werd afgewezen omdat eiser zijn persoonlijke omstandigheden niet tijdig bekend had gemaakt en het medische advies verouderd was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.