ECLI:NL:RBDHA:2025:18538
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding
De minister legde op 8 april 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel eerder getoetst en geoordeeld dat deze tot 22 augustus 2025 rechtmatig was.
De maatregel werd op 24 september 2025 opgeheven. De rechtbank beoordeelde of de maatregel tussen 22 augustus en 24 september 2025 onrechtmatig was. Eiser voerde aan dat de gronden voor de bewaring niet konden dragen, dat de minister niet voortvarend handelde en dat er geen zicht was op uitzetting binnen afzienbare tijd. Ook stelde eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk concreet zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn was, verwijzend naar een eerdere uitspraak van 25 april 2025. De minister had voldoende voortvarend gehandeld door rappelleren en het voeren van vertrekgesprekken. Omdat eiser niet meewerkte aan zijn uitzetting, was er geen aanleiding tot rappel op dossierniveau. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de bewaring gedurende de beoordelingsperiode.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.