De minister van Asiel en Migratie legde op 19 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zowel zware als lichte gronden, waaronder het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken.
Eiser stelde onder meer dat hij rechtmatig verblijf had, dat de beschikking niet in een voor hem begrijpelijke taal was uitgereikt, en dat zijn medische toestand (schizofrenie) meebracht dat de maatregel niet kon worden opgelegd. De rechtbank oordeelde dat het EU-verblijfsrecht van eiser was ingetrokken en dat de gronden voor bewaring voldoende waren gemotiveerd. Ook achtte de rechtbank de medische omstandigheden niet belemmerend voor de bewaring.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen lichter middel heeft toegepast en dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.