Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de definitieve jaarafrekeningen van de verdragsbijdrage voor een meeverzekerd gezinslid over de zorgjaren 2008 tot en met 2019. Eiser, een grensarbeider wonend in het buitenland, betwist de in rekening gebrachte bedragen en voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank stelt vast dat verweerder pas op 12 februari 2020 op de hoogte was van het meeverzekerd gezinslid, de echtgenote van eiser, en dat de termijn van vijf jaar voor het opleggen van de bijdrage daardoor niet is overschreden. Verweerder heeft de jaarafrekeningen binnen deze termijn vastgesteld en gehandhaafd. De rechtbank oordeelt dat de overschrijding van de wettelijke beslistermijn uit de Regeling zorgverzekering geen verjaring inhoudt en dat het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden.
Eiser stelt dat het systeem van informatie-uitwisseling tussen de zorgverzekeraar en verweerder heeft gefaald en dat hij onevenredig wordt belast. De rechtbank wijst dit af, omdat verweerder mocht vertrouwen op de juiste gegevens van de verzekeringsinstelling en geen sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. Ook is er geen ruimte voor belangenafweging bij de dwingende wettelijke bepalingen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van kosten of griffierecht terug.