ECLI:NL:RBDHA:2025:18546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvraag pleegkinderen wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie
De zaak betreft het beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot afwijzing van een nareisaanvraag voor pleegkinderen van referente. De minister stelde dat de identiteit van de biologische ouders niet aannemelijk was gemaakt en dat daarmee ook de familierechtelijke relatie niet kon worden vastgesteld. Eiseressen overlegden geen originele identiteitsdocumenten, slechts kopieën van kopieën van tazkera’s die laat in de procedure werden ingediend en waarvan de echtheid niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de identiteit van de biologische ouders niet aannemelijk is gemaakt, mede vanwege discrepanties in de documenten en het late tijdstip van overleggen. Ook de verklaringen over het overlijden van de biologische moeder en de vermissing van de biologische vader zijn onvoldoende onderbouwd en vertonen tegenstrijdigheden. De familierechtelijke relatie is daardoor niet aannemelijk.
Verder heeft de minister voldoende rekening gehouden met het belang van de kinderen, waarbij het voorkomen van mogelijke kindontvoering en het ontbreken van toestemmingsverklaringen zwaarwegend zijn. De rechtbank volgt het betoog van eiseressen niet dat nader onderzoek naar de situatie van de kinderen had moeten plaatsvinden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseressen krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.