ECLI:NL:RBDHA:2025:18589
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor voortzetting opvang vreemdelingen na beëindiging LVV
Verzoekers, 21 vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, maakten bezwaar tegen de beëindiging van de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) per 1 januari 2025. De voorzieningenrechter had eerder al een voorlopige voorziening toegekend die de opvang verlengde tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Na afwijzing van bezwaren door de minister en het instellen van beroep, verzochten verzoekers opnieuw om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de spoedeisendheid aanwezig is omdat de LVV-opvang per 9 oktober 2025 zou eindigen en er onvoldoende duidelijkheid is over alternatieve opvang die voorkomt dat verzoekers in een situatie van ernstige materiële deprivatie terechtkomen. De inhoudelijke rechtsvraag over de verplichtingen van de minister op grond van het EVRM en het Handvest leent zich niet voor beoordeling in deze spoedprocedure.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van verzoekers. De minister heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er voldoende capaciteit is in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel, waar verzoekers zich kunnen melden indien zij meewerken aan terugkeer. Ook voor een verzoeker met medische indicatie wordt opvang gegarandeerd. De voorzieningenrechter draagt de minister op de opvang voort te zetten tot vier weken na de uitspraak in de hoofdzaken en veroordeelt de minister in de proceskosten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe en draagt de minister op de 24-uurs opvang voort te zetten tot vier weken na de uitspraak in de hoofdzaken.