Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
in ieder geval nietvoor de zelfmeldprocedure worden opgeroepen. Dit is alleen anders indien de veroordeelde een jeugdige is. Op grond van de Regeling is de veroordeling voor een twaalfjaarsfeit dus niet slechts een contra-indicatie (zoals bedoeld in artikel 2:1 lid Pro 2), maar een absolute uitsluitingsgrond die de Minister geen ruimte biedt om een persoon die is veroordeeld voor een twaalfjaarsfeit toch voor de zelfmeldprocedure in aanmerking te laten komen. Dit volgt ook uit de toelichting bij de Regeling, waar staat dat de veroordeling voor een dergelijk zwaar feit dermate leidend wordt geacht dat er geen ruimte is voor een nadere belangenafweging. Volgens de toelichting maakt de aard en de ernst van deze feiten dat elk risico moet worden voorkomen dat de veroordeelde recidiveert, althans de gelegenheid daartoe krijgt. Anders dan [eiser] heeft betoogd, is deze absolute uitsluitings- of weigeringsgrond niet in strijd met de in artikel 6:1:3 Sv Pro voorgeschreven belangenafweging, maar slechts een invulling daarvan, waarbij de ernst van het feit doorslaggevend wordt geacht. Het afzien van een belangenafweging is ook niet in strijd met de door [eiser] aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2020:7217). Uit die uitspraak (en uit de daar aangehaalde uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:2770) volgt juist niet dat het CJIB – formeel de Minister – niet kan volstaan met verwijzen naar de absolute weigeringsgronden van artikel 2:1 lid 1 van Pro de Regeling.