Eiser, een minderjarige uit Pakistan, vroeg asiel aan wegens bedreigingen na een incident waarbij hij werd beschuldigd een Koran expres te hebben laten vallen. De minister wees de aanvraag af, waarbij het tweede asielmotief niet geloofwaardig werd bevonden. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van de minderjarige, met name zijn leeftijd, bij de beoordeling van het asielrelaas.
De rechtbank stelt vast dat het nader gehoor weliswaar rekening hield met de minderjarigheid, maar dat dit niet blijkt uit de volledige besluitvorming en de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over het incident en de gevolgen als vaag en summier zijn bestempeld. De rechtbank vindt dat de minister niet heeft onderbouwd waarom meer uitleg van eiser verwacht mocht worden en dat de minister niet voldoende heeft doorgevraagd tijdens het gehoor.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en niet in stand kan blijven. Daarom wordt de minister in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen binnen een termijn, waarna de rechtbank een einduitspraak zal doen. De procedure wordt aangehouden en over de proceskosten wordt nog niet beslist.