ECLI:NL:RBDHA:2025:18633
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij intrekking verblijfsvergunning
Eisers hadden verblijfsvergunningen als kennismigrant en als gezinslid, geldig tot 1 november 2022, die met terugwerkende kracht tot 1 november 2017 waren ingetrokken door verweerder. Eisers stelden zich op het standpunt dat de intrekking een verblijfsgat veroorzaakte en voerden beroep aan tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eisers met dit beroep niet kunnen bereiken wat zij wensen. Sinds 7 maart 2024 beschikken zij over een nieuwe verblijfsvergunning, al loopt er een procedure over de ingangsdatum daarvan. Daarnaast hadden eisers aanvragen voor verlenging of nieuwe vergunningen per 1 november 2022 ingediend, maar deze zijn afgewezen en daartegen is geen rechtsmiddel aangewend.
De rechtbank concludeerde dat ook als eisers in deze procedure gelijk zouden krijgen, er een verblijfsgat blijft bestaan tussen 1 november 2022 en 1 april 2023. Daarom ontbreekt het aan voldoende procesbelang voor een inhoudelijke beoordeling. De rechtbank volgde het standpunt van verweerder dat de intrekking terecht was vanwege het niet voldoen aan voorwaarden en het niet als werknemer optreden van eiser.
Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank deed geen inhoudelijke uitspraak. Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen. Eisers kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.