De officier van justitie verzocht op 10 september 2025 om voortzetting van een crisismaatregel die op 9 september 2025 was genomen ten aanzien van betrokkene, die op dat moment verbleef in een GGZ-instelling. De rechtbank hield op 15 september 2025 een mondelinge behandeling waarbij betrokkene, zijn advocaat, een verpleegkundig specialist en zijn moeder werden gehoord. De officier van justitie werd niet gehoord omdat dit niet noodzakelijk werd geacht.
Betrokkene gaf aan bereid te zijn medicatie vrijwillig te accepteren en kon daarbij thuis ondersteund worden door zijn ouders. De verpleegkundig specialist meldde dat betrokkene rustiger was, wel medicatie innam maar ook bepaalde medicatie had geweigerd. De psychiater vreesde dat zonder verplichte zorgmaatregel betrokkene zou stoppen met medicatie en suïcidaal zou worden, maar deze zorg werd onvoldoende geacht om voortzetting te rechtvaardigen.
De moeder gaf aan inmiddels te weten hoe om te gaan met betrokkene in slechtere periodes. De rechtbank concludeerde dat het toestandsbeeld was verbeterd, geen sprake meer was van suïcidale uitingen en dat betrokkene zorg ontving in een bekende omgeving met betrokken ouders en ambulante zorg. Hierdoor was niet voldaan aan de criteria voor voortzetting van de crisismaatregel en werd het verzoek afgewezen.