ECLI:NL:RBDHA:2025:18698
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inreisverbod wegens overschrijding vrije termijn verblijf in EU
Eiseres, van Filipijnse nationaliteit, reisde op 11 augustus 2024 de EU binnen met een Duits Schengenvisum en vertrok op 1 maart 2025 weer via Schiphol. Tijdens de uitreiscontrole werd vastgesteld dat zij de toegestane verblijfsduur met 113 dagen had overschreden. De minister legde haar daarop een inreisverbod van twee jaar op.
Eiseres voerde aan dat zij bij uitreis had vermeld gehuwd te zijn met een Duitse staatsburger en dat het inreisverbod haar recht op familieleven schendt. Ook stelde zij dat zij onvoldoende geïnformeerd was over de mogelijkheid om schriftelijk een zienswijze in te dienen. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze en dat het inreisverbod zorgvuldig en conform regelgeving is opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat het inreisverbod niet onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn om te concluderen dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Het verzoek tot ambtshalve opheffing van het inreisverbod kan opnieuw worden ingediend met concrete bewijsstukken over het verblijfsrecht in Duitsland. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het opgelegde inreisverbod van twee jaar wegens overschrijding van de vrije verblijfsduur wordt ongegrond verklaard.