In deze zaak staat de uitleg en nakoming van een vaststellingsovereenkomst (vso) centraal die partijen sloten na een langdurige procedure over gebreken aan onderhoudswerkzaamheden aan een appartementencomplex. De vso bevatte afspraken over herstelwerkzaamheden door de aannemer en betaling door de vereniging binnen 30 dagen.
De vereniging betaalde het bedrag van € 2.500,- echter pas ruim na de termijn van 30 dagen, waarna de aannemer zich op het standpunt stelde dat zij niet meer gehouden was tot herstel. De vereniging startte daarop een kort geding om nakoming van de vso af te dwingen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de betalingsverplichting in artikel 1.3 van de vso als een opschortende voorwaarde moet worden uitgelegd: nakoming door de aannemer kan pas worden gevorderd nadat de vereniging heeft betaald. De te late betaling leidt niet tot verval van rechten. De aannemer is daarom veroordeeld om de herstelwerkzaamheden uiterlijk 31 mei 2026 uit te voeren, met een dwangsom bij niet-nakoming.
De overige bepalingen van de vso blijven onverkort van kracht. De aannemer is tevens veroordeeld in de proceskosten.