ECLI:NL:RBDHA:2025:18719
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming
De minister van Asiel en Migratie heeft bij brief van 24 januari 2024 gesteld dat verzoeker vanaf 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep op 14 mei 2025 kennelijk ongegrond. Tegen deze uitspraak stelde verzoeker verzet in op 25 juni 2025.
Op 8 oktober 2025 verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de uitspraak van 14 mei 2025 zou schorsen totdat op het verzet is beslist. De voorzieningenrechter oordeelt dat, hoewel sprake is van onverwijlde spoed vanwege het intrekken van de verblijfscode en het verlies van opvang en inkomen, het verzoek niet toewijsbaar is.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank terecht het beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard, mede gelet op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de brief van 19 februari 2025 bieden geen grond voor toewijzing. Het verzet heeft geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming wordt afgewezen.