Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eiser] te [woonplaats] ,2. [eiseres] te [woonplaats] ,
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
- de dagvaarding van 28 november 2024, met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord.
Rechtbank Den Haag
De ouders van een slachtoffer dat door een misdrijf om het leven is gebracht, stelden de Staat aansprakelijk voor de schade die zij leden doordat de verdachte tijdens zijn voorlopige hechtenis suïcide pleegde. Hierdoor konden zij hun schade niet in het strafproces tegen de verdachte verhalen.
De rechtbank oordeelde dat de zorgplicht van de Staat jegens gedetineerden zich niet uitstrekt tot bescherming van de belangen van derden, zoals de ouders, tegen het verlies van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen in een strafproces. Het relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW Pro) werd niet gehaald.
Hoewel de ouders stelden dat de Staat tekort was geschoten in zijn zorgplicht door het toestaan van een scheermesje aan een suïcidale gedetineerde, kon dit niet worden vastgesteld door het ontbreken van inzage in medische rapporten. De Staat voerde aan dat passende maatregelen waren genomen en dat het suïciderisico was gemonitord.
Het beroep op artikel 13 EVRM Pro faalde eveneens omdat niet was toegelicht welk verdragsrecht was geschonden. De vorderingen werden afgewezen en de ouders werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de ouders af en veroordeelt hen in de proceskosten.