ECLI:NL:RBDHA:2025:18865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.41827 en NL25.40606
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 1 Vreemdelingenwet 2000ECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring

De rechtbank Den Haag behandelde op 3 september 2025 de beroepen van eiser tegen twee besluiten van de minister van Asiel en Migratie: een terugkeerbesluit met inreisverbod en een maatregel van bewaring. Het terugkeerbesluit en inreisverbod werden op 5 augustus 2025 opgelegd nadat eiser zijn asielaanvraag had ingetrokken. Tijdens het gehoor op die dag weigerde eiser echter met de verweerder in gesprek te gaan.

Eiser stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om zijn zienswijze te geven en dat het terugkeerbesluit ondeugdelijk was gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat eiser zelf de communicatie weigerde en dat verweerder daarom niet verplicht was in te gaan op eerdere verklaringen van eiser. De motivering van het besluit was voldoende, aangezien geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.

Ten aanzien van de maatregel van bewaring voerde eiser geen zelfstandige beroepsgronden aan. De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en vond geen aanwijzingen dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep tegen deze maatregel en het verzoek om schadevergoeding werden eveneens afgewezen.

De rechtbank concludeerde dat de beroepen ongegrond zijn en dat het terugkeerbesluit, inreisverbod en de maatregel van bewaring in stand blijven.

Uitkomst: De beroepen tegen het terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.41827 en NL25.40606

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Bij afzonderlijk besluit van 5 augustus 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op 26 augustus 2025 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen bestreden besluit 2. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft op 2 september 2025 tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beroep tegen bestreden besluit 1 (NL25.41827)
1. Eiser voert aan dat hij niet voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze te geven ten aanzien van het terugkeerbesluit en inreisverbod. De vragen die eiser tijdens het gehoor op 1 augustus 2025 zijn gesteld hebben namelijk slechts zijdeling met het terugkeerbesluit en inreisverbod te maken. Desondanks heeft hij tijdens dat gehoor bijzondere omstandigheden aangevoerd. Verweerder is daarop in het bestreden besluit 1 echter niet ingegaan, zodat sprake is van een motiveringsgebrek.
1.1.
Uit het dossier komt naar voren dat verweerder al op 1 augustus 2025 voornemens was om aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod op te leggen en dat hij eiser daarover op 1 augustus 2025 heeft gehoord. Omdat eiser tijdens dat gehoor een asielaanvraag heeft ingediend, heeft verweerder op dat moment afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod. Op 4 augustus 2025 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder op 5 augustus 2025 opnieuw een gehoor met eiser gehouden over het op te leggen terugkeerbesluit en inreisverbod, waarna hij het bestreden besluit 1 heeft genomen.
1.2.
Uit het proces-verbaal van gehoor van 5 augustus 2025 volgt dat eiser heeft geweigerd om met verweerder in gesprek te gaan over het op te leggen terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiser is met zijn handen op zijn oren de spreekkamer uitgelopen en wilde, ondanks pogingen daartoe van het personeel van het detentiecentrum, niet terugkeren naar de spreekkamer. Eiser heeft er dus zelf voor gekozen om op 5 augustus 2025 niet met verweerder in gesprek te gaan over het op te leggen terugkeerbesluit en inreisverbod. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om een zienswijze naar voren te brengen niet.
1.3.
Ook de beroepsgrond dat verweerder het bestreden besluit 1 ondeugdelijk heeft gemotiveerd slaagt niet. Eiser heeft tijdens het gehoor op 5 augustus 2025 dus geweigerd om met verweerder in gesprek te gaan en heeft zodoende tijdens dat gehoor geen omstandigheden naar voren gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om af te zien van oplegging van het bestreden besluit 1. Voor zover verweerder bij het bestreden besluit 1 rekening diende te houden met wat eiser tijdens het eerdere gehoor op 1 augustus 2025 heeft verklaard, overweegt de rechtbank dat verweerder in die verklaringen (die gaan over asielgronden en familie) geen aanleiding heeft hoeven zien om van oplegging van het bestreden besluit 1 af te zien en dat verweerder daarop ook niet met een specifieke motivering hoefde te reageren. Eiser heeft namelijk zijn asielaanvraag drie dagen later zelf weer ingetrokken en heeft zijn familiebanden niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit 1 kunnen volstaan met de algemene motivering dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het besluit.
2. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand blijven.
Beroep tegen bestreden besluit 2 (NL25.40606)
3. Eiser heeft erop gewezen dat als het bestreden besluit 1 onderuit gaat, de maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is.
Hiervoor, onder 2, is overwogen dat het bestreden besluit 1, waaronder het terugkeerbesluit, in stand blijft. Eisers betoog treft daarom geen doel.
4. Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring verder geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de toetsing door de rechtbank verder beperkt is tot een ambtshalve toetsing van de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, zoals die voortvloeit uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858. Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
5. Het beroep tegen de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 (terugkeerbesluit en inreisverbod) ongegrond;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring) ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.