ECLI:NL:RBDHA:2025:18899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen inreisverbod wegens onvoldoende onderbouwing relatie
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 30 april 2025 geconfronteerd met een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar. Hij werd op 11 juni 2025 uitgezet naar Algerije. Eiser trok het beroep tegen het terugkeerbesluit in, maar handhaafde het beroep tegen het inreisverbod.
Het centrale geschilpunt betrof de vermeende schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser een vriendin in België heeft die zwanger van hem zou zijn, en het inreisverbod zou zijn gezinsleven belemmeren. De rechtbank beoordeelde alleen de rechtmatigheid van het inreisverbod.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn relatie en gezinsleven onvoldoende had geconcretiseerd en niet ondersteund met bewijsstukken. Zonder voldoende onderbouwing was er geen grond om te concluderen dat het inreisverbod een schending van artikel 8 EVRM Pro opleverde. Verweerder hoefde daarom niet af te zien van het inreisverbod.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.