ECLI:NL:RBDHA:2025:18949
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM bevestigd na belangenafweging
Eiser verzocht om verlenging van zijn verblijfsvergunning voor medische behandeling met een verblijfsvergunning voor niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister wees dit af op basis van medische adviezen dat geen medische noodsituatie zou ontstaan bij uitblijven van behandeling en het niet voldoen aan de voorwaarden voor verlenging. Tevens werd betoogd dat eiser geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro toekomt.
De rechtbank oordeelt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in een zorgvuldige belangenafweging, waarbij het Nederlandse belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. De rechtbank vindt dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser sterke banden met Liberia behoudt en dat het privéleven buiten Nederland voortgezet kan worden.
Eisers argumenten over onvoldoende motivering, het niet juist wegen van medische omstandigheden en het belang van het opgebouwde privéleven in Nederland worden verworpen. De rechtbank bevestigt dat de minister een fair balance heeft toegepast en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM is ongegrond verklaard.