ECLI:NL:RBDHA:2025:18952
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid nationaliteit en herkomst
Eiser heeft op 13 juli 2024 een aanvraag om asiel ingediend, die door de minister op 20 mei 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser betwist deze afwijzing en voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder onzorgvuldigheid en onvoldoende onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit.
De rechtbank heeft op 27 juni 2025 de zaak behandeld en beoordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser zijn nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde kopie van de identiteitskaart van zijn vader levert volgens de rechtbank geen begin van bewijs op. Ook is het ontbreken van een taalanalyse niet onrechtmatig, aangezien de minister reeds aannemelijk acht dat eiser in zowel Eritrea als Soedan heeft verbleven.
De rechtbank stelt vast dat eiser wisselende en inconsistente verklaringen heeft gegeven over zijn nationaliteit en het ontbreken van documenten. Ook het beroep op het belang van het kind en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) slaagt niet. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.