Verzoeker heeft in Nederland een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn staatloosheid, nadat hij in Turkije een soortgelijke procedure was gestart die onduidelijk is geëindigd. De rechtbank heeft de stukken en de zitting behandeld waarbij ook de Staat der Nederlanden was vertegenwoordigd.
De rechtbank onderzocht of verzoeker onderdaan is van Bahrein, Turkije of Koeweit, gezien zijn verblijf en huwelijksgeschiedenis. Uit stukken blijkt dat verzoeker niet de Bahreinse nationaliteit bezit. De Turkse procedure tot vaststelling van staatloosheid is niet afgerond, en verzoeker kon geen bewijs leveren van een definitieve uitspraak.
Met betrekking tot Koeweit is vastgesteld dat verzoeker behoort tot de Bidoon-groep, die niet als staatsburger wordt erkend, maar dit betekent niet automatisch staatloosheid. Verzoeker kon geen overtuigend bewijs leveren dat hij geen andere nationaliteit bezit, mede door het ontbreken van identificerende documenten van zijn ouders.
De rechtbank concludeert dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij staatloos is en wijst het verzoek af. Ook wordt de vordering tot vergoeding van proceskosten afgewezen.