ECLI:NL:RBDHA:2025:191
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en afwijzing verzoek tot opheffing
De minister heeft op 8 augustus 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze maatregel bevestigd tot 11 oktober 2024. In de onderhavige procedure staat het voortduren van de bewaring vanaf die datum centraal.
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, voert aan dat er geen zicht is op uitzetting, dat de minister niet voortvarend handelt, dat een lichter middel passend is en dat de bewaring moet worden opgeheven. Tevens wijst hij op zijn psychische gesteldheid en een verzoek tot overplaatsing naar een andere inrichting.
De rechtbank stelt vast dat de minister regelmatig contact heeft met de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten en dat er voldoende vertrekgesprekken met eiser zijn gevoerd. Eiser werkt niet mee aan zijn uitzetting en wenst terug te keren naar Frankrijk in plaats van Algerije. De medische stukken tonen geen zodanige psychische belasting dat de bewaring onrechtmatig is of een lichter middel vereist.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig voortduurt en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.