In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep dat eiser had ingediend tegen de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat de minister niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvraag op 22 september 2023 had ontvangen en dat hij uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag had moeten beslissen. De minister had deze termijn echter met negen maanden verlengd, wat eiser in zijn ogen niet rechtmatig vond. Eiser heeft de minister op 12 juni 2025 in gebreke gesteld, wat tijdig was, en heeft vervolgens meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was, omdat de minister niet tijdig had beslist.
De rechtbank gaf de minister een termijn van acht weken na de uitspraak om alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. Tevens werd er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiser kreeg ook een vergoeding voor de proceskosten van € 453,50, omdat hij een professionele juridische hulpverlener had ingeschakeld. De rechtbank benadrukte het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming en dat de beslistermijn van 21 maanden in deze zaak was overschreden. De uitspraak werd openbaar gemaakt en de proceskosten werden toegewezen aan eiser.