Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 22 september 2023 en had zes maanden de tijd om te beslissen, verlengd met negen maanden volgens WBV 2023/3. Eiser stelde de minister op 12 juni 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank wijst een nadere beslistermijn van acht weken toe, rekening houdend met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50 wegens inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier S.J. Simorangkir en is op 29 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.