Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid. Eerder had de rechtbank reeds een termijn gesteld waarbinnen de minister moest beslissen, maar deze is niet nageleefd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de eerdere rechterlijke termijn. De minister heeft geen verweerschrift ingediend en het dossier toont aan dat de aanvraag nog niet inhoudelijk is behandeld, ondanks dat ruim twee jaar verstreken zijn sinds de aanvraag.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken op en verbindt daaraan een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 bij overschrijding. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50.
De uitspraak benadrukt dat het beroep tegen niet tijdig beslissen zich verzet tegen aanhouding en dat de minister verplicht is zo spoedig mogelijk te besluiten. De minister wordt gesommeerd binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen, onder dreiging van dwangsommen.