ECLI:NL:RBDHA:2025:19169

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
25/5469
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene verordening gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzage strafvorderlijke gegevens wegens onvoldoende spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het gedeeltelijk toegewezen verzoek om inzage in strafvorderlijke gegevens die over hem, zijn vrouw en zoon zijn verwerkt. Verweerder, de Minister van Justitie en Veiligheid, had dit verzoek gedeeltelijk toegewezen in een besluit van 29 maart 2024. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat het spoedeisend belang ontbrak. Verzoeker stelde dat hij de stukken nodig had voor een tuchtklacht tegen een advocaat en voor een zitting bij de Autoriteit Persoonsgegevens, maar kon niet aantonen dat dit belang verband hield met het inzagerecht onder de AVG. Bovendien had verzoeker eerder de mogelijkheid tot fysieke inzage geweigerd vanwege onenigheid over de voorwaarden.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het inzagerecht onder de AVG slechts bedoeld is om betrokkene in staat te stellen persoonsgegevens in te zien en te controleren op rechtmatigheid, niet om bewijs te verzamelen voor andere procedures. Omdat er geen aanwijzingen waren dat het besluit van verweerder evident onrechtmatig was, werd het verzoek afgewezen. Verzoeker kreeg het griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot inzage in strafvorderlijke gegevens wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5469

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Ketting en mr. M. van Harten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen gedeeltelijke toewijzing van zijn verzoek om inzage in strafvorderlijke gegevens die over hem, zijn vrouw en zijn zoon zijn verwerkt.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 29 maart 2024 gedeeltelijk toegewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3.1.
Volgens verzoeker heeft hij spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening omdat hij de stukken nodig heeft voor een tuchtklacht tegen een advocaat van advocatenkantoor [bedrijfsnaam] . Ook is er op 20 november 2025 een zitting in een zaak over het onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Verzoeker wil voor die datum stukken kunnen indienen.
3.2.
De voorzieningenrechter merkt op dat het AVG-inzagerecht tot doel heeft de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Verzoeker stelt niet dat en welk spoedeisend belang hij heeft bij die kennisname en controle vooruitlopend op de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verzoeker deels zelf verantwoordelijk is voor het feit dat hij nog geen inzage heeft gehad in de stukken. Uit het dossier blijkt namelijk dat verzoeker per brieven van 2 juli 2024 en 8 oktober 2024 een aanbod tot fysieke inzage is gedaan in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar. Verzoeker is het echter niet eens met de voorwaarden die hierbij door verweerder werden gesteld. Wat daar verder ook van zij, verzoeker had de mogelijkheid de verzamelde en verwerkte gegevens in te zien en heeft er zelf voor gekozen dit niet te doen.
3.3.
Het spoedeisend belang dat verzoeker wel stelt te hebben ziet op een tuchtklacht en een gerechtelijke procedure waarbij verweerder geen partij is. Dit heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen relatie met de AVG en het inzage verzoek waar het in deze procedure over gaat. Het inzagerecht onder de AVG heeft immers slechts het doel om iemand in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Het is niet bedoeld om de procespositie te bepalen en in staat te stellen bewijs te vergaren om verweer te kunnen voeren.
4. Gelet op het voorgaande heeft verzoeker het spoedeisend belang bij de door hem verzochte voorlopige voorziening onvoldoende aangetoond. De door verzoeker gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in stand zal blijven. Daar zijn geen aanwijzingen voor.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is kennelijk ongegrond, de voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.