ECLI:NL:RBDHA:2025:19169
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzage strafvorderlijke gegevens wegens onvoldoende spoedeisend belang
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het gedeeltelijk toegewezen verzoek om inzage in strafvorderlijke gegevens die over hem, zijn vrouw en zoon zijn verwerkt. Verweerder, de Minister van Justitie en Veiligheid, had dit verzoek gedeeltelijk toegewezen in een besluit van 29 maart 2024. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat het spoedeisend belang ontbrak. Verzoeker stelde dat hij de stukken nodig had voor een tuchtklacht tegen een advocaat en voor een zitting bij de Autoriteit Persoonsgegevens, maar kon niet aantonen dat dit belang verband hield met het inzagerecht onder de AVG. Bovendien had verzoeker eerder de mogelijkheid tot fysieke inzage geweigerd vanwege onenigheid over de voorwaarden.
De voorzieningenrechter benadrukte dat het inzagerecht onder de AVG slechts bedoeld is om betrokkene in staat te stellen persoonsgegevens in te zien en te controleren op rechtmatigheid, niet om bewijs te verzamelen voor andere procedures. Omdat er geen aanwijzingen waren dat het besluit van verweerder evident onrechtmatig was, werd het verzoek afgewezen. Verzoeker kreeg het griffierecht niet terug.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot inzage in strafvorderlijke gegevens wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.