Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond op 8 juli 2025. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Op 14 oktober 2025 vond de zitting plaats waarbij partijen en hun gemachtigden aanwezig waren. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met het beroep en concludeerde dat een voorlopige voorziening niet meer nodig was vanwege de inhoud van de uitspraak op het beroep.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, maar bepaalde dat verzoeker een proceskostenvergoeding van €907,- toekomt, welke door de minister moet worden betaald. Deze vergoeding is vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en betreft één proceshandeling, namelijk het indienen van het verzoekschrift.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.G. Wijtsma en griffier M. Veenstra, en openbaar gemaakt op 20 oktober 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.