De heer [naam 1] verzocht de rechtbank Den Haag om een voorlopige voorziening ex artikel 287b lid 1 Faillissementswet, nadat de verhuurder de woning op 24 september 2025 wilde ontruimen. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie en dat de heer [naam 1] inmiddels was aangemeld voor schuldhulpverlening.
De lopende huurtermijnen waren grotendeels voldaan en met de onderbewindstelling van de heer [naam 1] was de betaling van toekomstige termijnen voldoende gegarandeerd. De verhuurder voerde een betalingsachterstand en wanbetaling aan, maar de rechtbank vond dat het belang van de heer [naam 1] om woonruimte te behouden en het minnelijk traject voort te zetten zwaarder woog.
De rechtbank legde een belangenafweging en concludeerde dat de voorlopige voorziening moest worden toegewezen, waarbij ontruiming voor zes maanden werd verboden. Dit geeft verzoeker de gelegenheid om met schuldeisers, waaronder de verhuurder, een regeling te treffen. De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan en loopt tot de uitspraak op het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of is ingetrokken.