ECLI:NL:RBDHA:2025:19286

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.49546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring en verlenging overdrachtstermijn vreemdeling afgewezen

Eiser, een Soedanese vreemdeling, maakte bezwaar tegen een maatregel van bewaring en de verlenging van de overdrachtstermijn aan Frankrijk onder de Dublinverordening. De maatregel was opgelegd omdat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen en er een significant risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte met name de zware grond dat hij geen medewerking verleende aan zijn overdracht, met het argument dat hij ziek was op de geplande overdrachtsdatum en zich niet bewust onttrokken had. De rechtbank oordeelde echter dat de zware grond dat eiser niet op de juiste wijze was binnengekomen feitelijk juist was en dat ook de overige lichte gronden voldoende waren gemotiveerd.

De rechtbank zag geen reden om de behandeling van het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn af te wachten, omdat er concrete aanknopingspunten voor overdracht waren en voldoende zicht op overdracht bestond. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en de verlenging van de overdrachtstermijn wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49546

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 15 oktober 2025 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder op 17 oktober een verweerschrift ingediend. Op 20 oktober 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Soedanese nationaliteit te hebben.
2. Bij besluit van 22 september 2025 heeft verweerder de termijn om eiser over te dragen aan Frankrijk verlengd met achttien maanden, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze verlenging. In het beroep tegen de maatregel van bewaring vraagt eiser om het beroep tegen het verlengingsbesluit af te wachten. Als dat beroep gegrond is, heeft dat namelijk tot gevolg dat de overdrachtstermijn ten onrechte is verlengd en komt het claimakkoord tussen Nederland en Frankrijk te vervallen.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals eiser heeft verzocht, de behandeling van het beroep tegen het verlengingsbesluit af te wachten. Er bestaan immers concrete aanknopingspunten voor een overdacht als bedoeld in de Dublinverordening en er is een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, zoals volgt uit overweging 6. Het is niet aan de bewaringsrechter om in de bewaringsprocedure alvast vooruit te lopen op de kans van slagen van een beroep gericht tegen de verlenging van de overdrachtstermijn.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Verweerder heeft de zware grond 3f laten vallen.
6. Eiser betwist de zware grond 3k. Ten onrechte wordt aan hem tegengeworpen dat hij geen medewerking verleent aan zijn overdracht aan Frankrijk. In de terugkeergesprekken heeft eiser immer verklaard dat hij zal meewerken aan zijn overdracht. Op 19 september 2025 stond de overdracht van eiser gepland naar Frankrijk. Echter eiser was die dag ziek en hij voelde zich niet goed om te reizen. Eiser heeft dat ook gemeld bij het COa. [1] Hij lag te slapen op het moment dat hij werd opgehaald voor de overdracht door DV&O [2] en hij heeft daarom niet gehoord dat er werd aangeklopt. Eiser is dan ook niet met onbekende bestemming vertrokken en hij heeft zich niet onttrokken aan het toezicht. Volgens eiser is de overdrachtstermijn voor zijn overdracht naar Frankrijk dan ook ten onrechte verlengd tot 2 oktober 2026. Eiser voert verder aan dat verweerder in de motivering van de zware grond 3k vermeld dat eiser geen actie heeft ondernomen om zijn overdracht naar ‘
Kroatië’te regelen. In het geval van eiser is overdracht aan Frankrijk aan de orde. Deze overweging kan dan ook niet bijdragen aan de motivering van de zware grond 3d. Voor wat betreft de zware grond 3a en de lichte gronden refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [4] De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a feitelijk juist is. Eiser is niet op voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Eiser beschikte namelijk ten tijde van zijn inreis in Nederland niet over een paspoort met het benodigde inreisvisum. Eiser heeft de lichte gronden niet betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. De zware grond 3a en de lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen en een significant risico op onttrekking aan te nemen. De grond gericht tegen de zware grond 3k behoeft daarom geen bespreking meer.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat er voldoende zicht is op overdracht van eiser. Uit de aanbiedingsbrief van verweerder blijkt dat eisers overdracht aan Frankrijk op 22 oktober 2025 is gepland.
9. Verder is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 oktober 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Centraal Orgaan asielzoekers.
2.Dienst Vervoer & Ondersteuning.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.