ECLI:NL:RBDHA:2025:19440

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.44050
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Libische vreemdeling, op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was gericht op het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser in 2021 illegaal Nederland is binnengekomen en zich tijdens een eerdere asielprocedure in april 2024 onttrok aan het toezicht door zonder toestemming de opvanglocatie te verlaten en naar België te vertrekken. Deze feiten vormen zware gronden voor de bewaring, welke de rechtbank feitelijk juist en voldoende gemotiveerd acht.

De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de bewaring niet noodzakelijk was en dat hij in vrijheid zijn asielprocedure had moeten kunnen doorlopen. Ook ambtshalve toetsing leidde niet tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44050
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1991] .
De gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Ook bestaat er een risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; 3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft op de zitting de zware gronden onder 3i en 3j prijsgegeven.
3. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3a feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. Eiser heeft verklaard dat hij Nederland in 2021 illegaal is ingereisd. De omstandigheid dat eiser op 9 september 2025 door de Belgische autoriteiten op gecontroleerde wijze is overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten laat onverlet dat de minister het eerdere gedrag van eiser ook thans aan eiser mag tegenwerpen. Dit geldt dus ook voor de zware grond onder 3b. Eiser is tijdens zijn eerdere asielprocedure in Nederland in april 2024 met onbekende bestemming uit de opvanglocatie vertrokken. Later bleek dat eiser was vertrokken naar België. Hij heeft zich daarmee indertijd onttrokken aan het toezicht. Ook deze grond is dus feitelijk juist en afdoende gemotiveerd.
4. De zware gronden onder 3a en 3b zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daaruit volgt ook al het risico dat eiser zich tijdens deze asielprocedure (opnieuw) aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond van eiser met betrekking tot de lichte grond onder 4d behoeft daarom geen bespreking. De rechtbank volgt eiser daarom ook niet in zijn betoog dat de inbewaringstelling niet noodzakelijk was en dat de minister hem had moeten doorgeleiden naar het aanmeldcentrum in Ter Apel om daar in vrijheid zijn asielprocedure te doorlopen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

5. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van het dossier en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 september 2025

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.