De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Algerijnse nationaliteit, was bijna vier weken in bewaring vanwege een concreet aanknopingspunt voor een Dublinoverdracht naar Spanje en het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.
De rechtbank stelde vast dat eiser de aan de bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet betwistte en dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. De minister had volgens de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld in het proces van de Dublinoverdracht, ondanks de initiële afwijzing door Duitsland en de daaropvolgende acceptatie door Spanje.
Eiser had aangevoerd dat de minister onvoldoende voortvarend was, maar dit werd verworpen omdat het beroep tegen het overdrachtsbesluit in Nederland kon worden afgewacht en eiser dit beroep wilde intrekken, waardoor de overdracht ingepland kon worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.