Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:19474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
C/09/690905 / JE RK 25-1524 en C/09/690906 / JE RK 25-1525
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265g BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Den Haag heeft op 8 oktober 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die bij pleegouders verblijft. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging vanwege zorgen over het contact tussen de moeder en de minderjarige, het risico op parentificatie, en de noodzaak van passende hulpverlening.

De moeder heeft niet-aangeboren hersenletsel en is beperkt leerbaar, waardoor zij onvoldoende in staat is het belang van de minderjarige voorop te stellen. De omgang tussen moeder en kind vindt slechts één keer per maand onder begeleiding plaats en is onstabiel, wat spanning en stress veroorzaakt bij de minderjarige. De minderjarige ontwikkelt zich goed bij de pleegouders en erkent dat haar perspectief daar ligt.

De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig bedreigd wordt door het onstabiele contact met de moeder. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer blijft noodzakelijk om hulpverlening te coördineren en de ontwikkeling van het kind te monitoren. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van een jaar. Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met familie is ingetrokken en behoeft geen beslissing meer.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening, met een advocaat.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer:
I. C/09/690905 / JE RK 25-1524
II. C/09/690906 / JE RK 25-1525
Datum uitspraak: 8 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter
I.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
II.
Niets meer te beslissen ten aanzien van verzoek vaststellen van een omgangsregeling (art. 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW))
in de zaken van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de pleegvader]en
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • verzoekschrift I en II met bijlagen, ontvangen op 29 augustus 2025;
  • het e-mailbericht van de pleegouders met hun standpunt als bijlage van 17 september 2025;
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid BW, van 2 oktober 2025;
  • een brief van de moeder met bijlagen, ontvangen op 6 oktober 2025;
  • een e-mailbericht van de moeder met bijlage, ontvangen op 7 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders juist zijn opgeroepen. De pleegouders hebben zich per bericht van 17 september 2025 afgemeld voor de zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. De pleegouders hebben [de minderjarige] per bericht van 17 september 2025 afgemeld voor het kindgesprek.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de vader, de heer [de vader] , en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De moeder is bij beschikking van 20 maart 2017 belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft bij de pleegouders.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 oktober 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 oktober 2025. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 oktober 2025.

3.Het verzoek

Verzoek I: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen, naar de kinderrechter begrijpt, voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. Er zijn zorgen over het contact tussen de moeder en [de minderjarige] , het risico op parentificatie, de hulpverlening die nog op gang moet komen en de gebrekkige samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening. De moeder heeft niet-aangeboren hersenletsel (NAH) en is beperkt leerbaar, waardoor het haar niet altijd lukt om het belang van [de minderjarige] voorop te stellen. De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder vindt één keer per maand plaats onder begeleiding. Er is te weinig stabiliteit en veiligheid in het contact tussen de moeder en [de minderjarige] . Vanwege de onvoorspelbaarheid van de moeder wordt [de minderjarige] blootgesteld aan spanning en stress. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en zij erkent dat haar perspectief bij het pleeggezin ligt. De gecertificeerde instelling ziet wel dat [de minderjarige] loyaal is naar de pleegouders en de moeder toe en dat het voor haar lastig zal zijn om aan te geven wat zij het liefst zou willen. De verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk zodat een jeugdbeschermer regie kan voeren, hulp kan inzetten en kan waarborgen dat [de minderjarige] beschermd blijft tegen verdere ontwikkelingsschade. Het perspectief van [de minderjarige] ligt bij de pleegouders. De verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is noodzakelijk om het verblijf bij de pleegouders te continueren.
Verzoek II: Vaststelling omgangsregeling
3.3.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat zij het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met de familie van [de minderjarige] niet handhaaft. De reden hiervoor is dat er een nieuwe vaste jeugdbeschermer betrokken bij het gezin. Deze jeugdbeschermer heeft een ander idee over de omgang tussen [de minderjarige] en haar familie. Ook vond zij het verzoek niet voor toewijzing vatbaar, omdat informatie en onderbouwing ontbrak. De nieuwe jeugdbeschermer overlegt met de moeder en de pleegouders over dit onderwerp.

4.De standpunten

4.1.
De moeder stemt in met het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. In het kader van het ingetrokken verzoek van de gecertificeerde instelling tot vaststelling van een omgangsregeling heeft de moeder naar voren gebracht dat zij het niet in het belang van [de minderjarige] vindt hoe het in het verzoek stond weergegeven. Zij is blij met het overleg met de nieuwe jeugdbeschermer. Het contact tussen de moeder en de tantes van [de minderjarige] is niet altijd goed. De moeder heeft liever dat zij zelf kan kiezen welke familieleden zij meeneemt naar de omgang met [de minderjarige] .

5.De beoordeling

Verzoek I: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De kinderrechter is op basis van de stukken en de zitting van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige] heeft als kind verschillende ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Binnenkort gaat [de minderjarige] starten bij Youz om deze ingrijpende gebeurtenissen te verwerken. [de minderjarige] verblijft al een lange aaneengesloten periode bij de pleegouders en zij ontwikkelt zich daar goed. De ontwikkelingsbedreiging is nu gelegen in het onstabiele contact tussen de moeder en [de minderjarige] . Tijdens de zomervakantie heeft [de minderjarige] de moeder niet gezien. Voor de ontwikkeling van [de minderjarige] is het belangrijk dat zij regelmatig en op structurele wijze contact heeft met de moeder.
De kinderrechter vindt het positief om te horen dat de jeugdbeschermer wil kijken of de omgang met moeder uitgebreid kan worden naar twee keer per maand. Daarnaast ziet de jeugdbeschermer loyaliteit van [de minderjarige] naar zowel de moeder, als naar de pleegouders. Het moet worden voorkomen dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict verkeert. De kinderrechter is van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer nog noodzakelijk blijft om passende hulpverlening in te zetten, de ontwikkeling van [de minderjarige] te monitoren en positief contact tussen de moeder en [de minderjarige] te waarborgen. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar.
5.3.
Ook is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2] [de minderjarige] woont al een lange tijd bij de pleegouders nu de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek onvoldoende in staat is zelf voor [de minderjarige] te zorgen. Bij beschikking van 31 mei 2024 is bepaald dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. Dit is door het hof bekrachtigd bij beschikking van 11 december 2024. De kinderechter is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is om de plaatsing bij de pleegouders voort te zetten. De kinderrechter merkt nog op dat het verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht tot aan de meerderjarigheid van [de minderjarige] . Volgens artikel 1:265c, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de termijn niet langer dan een jaar zijn en niet langer dan de ondertoezichtstelling doorlopen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verzoek II: vaststelling omgangsregeling
5.5.
De kinderrechter stelt vast dat zij ten aanzien van het verzoek vaststelling omgangsregeling tussen [de minderjarige] en haar familie niets meer hoeft te beslissen, aangezien de gecertificeerde instelling het niet langer handhaaft.

6.De beslissing

De kinderrechter:
inzake C/09/690905 / JE RK 25-1524 (verzoek I)
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 22 oktober 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
inzake C/09/690906 / JE RK 25-1525
6.5.
stelt vast dat er niets meer te beslissen valt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025, in aanwezigheid van F.A.M. Wever als griffier, en op schrift gesteld op 21 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.