Verzoekers, een vrouw en haar zoon met Pakistaanse nationaliteit, hebben een visum kort verblijf aangevraagd om de bruiloft van hun nicht in Nederland bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft dit verzoek op 10 juli 2025 afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en het voornemen om Nederland tijdig te verlaten niet kon worden vastgesteld.
Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen wegens onverwijlde spoed, aangezien de bruiloft op korte termijn plaatsvindt. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoed en dat partijen voldoende gelegenheid hadden gehad hun standpunten schriftelijk toe te lichten, zodat een zitting achterwege kon blijven.
De minister heeft niet gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening, wat werd geïnterpreteerd als geen verzet. De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek toe te wijzen en de minister te verplichten verzoekers te behandelen alsof zij een visum kort verblijf hebben voor de periode van 20 augustus tot 18 november 2025.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op €907,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.