ECLI:NL:RBDHA:2025:19480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.37439
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor visum kort verblijf bij bruiloft

Verzoekers, een vrouw en haar zoon met Pakistaanse nationaliteit, hebben een visum kort verblijf aangevraagd om de bruiloft van hun nicht in Nederland bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft dit verzoek op 10 juli 2025 afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en het voornemen om Nederland tijdig te verlaten niet kon worden vastgesteld.

Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen wegens onverwijlde spoed, aangezien de bruiloft op korte termijn plaatsvindt. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoed en dat partijen voldoende gelegenheid hadden gehad hun standpunten schriftelijk toe te lichten, zodat een zitting achterwege kon blijven.

De minister heeft niet gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening, wat werd geïnterpreteerd als geen verzet. De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek toe te wijzen en de minister te verplichten verzoekers te behandelen alsof zij een visum kort verblijf hebben voor de periode van 20 augustus tot 18 november 2025.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op €907,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en beveelt de minister verzoekers te behandelen alsof zij een visum kort verblijf hebben voor de periode 20 augustus tot 18 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.37439
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] geboren op [geboortedatum 1] 1975, verzoekster

mede namens haar zoon
[verzoeker], geboren op [geboortedatum 2] 2002, verzoeker
hierna gezamenlijk: verzoekers
(gemachtigde: mr. P. Singh),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Met het besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van onverwijlde spoed omdat verzoekers de bruiloft van hun nicht (referent) in Nederland wensen bij te wonen op [datum] 2025. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat partijen door het achterwege laten van een zitting niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij is van belang dat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad om hun standpunten schriftelijk naar voren te brengen. De voorzieningenrechter zal dan ook met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak doen zonder zitting.
4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekers in het bestreden besluit afgewezen, omdat verzoekers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende hebben aangetoond en omdat volgens verweerder bij verzoekers het voornemen om het grondgebied van de lidstaat vóór het verstrijken van het visum te verlaten niet kon worden vastgesteld.
5. Verzoekers brengen naar voren dat zij het doel en de omstandigheden wel degelijk hebben aangetoond, namelijk een kort verblijf in Nederland voor het bijwonen van de bruiloft van de nicht. Verzoekers stellen verder dat er voldoende economische en sociale binding is met Pakistan en daarom geen sprake zal zijn van vestigingsgevaar.
6. De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek. Verweerder heeft dit echter nagelaten. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat verweerder zich niet verzet tegen de voorlopige voorziening.
7. De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorziening daarom toewijzen voor de periode 20 augustus 2025 tot 18 november 2025. Dat houdt in dat verweerder verzoekers in deze periode moet behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe, en draagt op verweerder verzoekers te behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf voor de periode 20 augustus 2025 tot 18 november 2025;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.