ECLI:NL:RBDHA:2025:19507

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.20398
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens inwilliging asielaanvraag na termijnoverschrijding

Eiser diende op 5 juli 2023 een asielaanvraag in en stelde op 2 mei 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Op 6 oktober 2025 heeft de minister de asielaanvraag alsnog ingewilligd. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig beslissen feitelijk komen te vervallen, waardoor de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart.

Eiser heeft aangegeven bereid te zijn het beroep in te trekken zodra de minister de proceskosten vergoedt, maar de minister heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank concludeert daarom dat het beroep niet is ingetrokken en behandelt het beroep zonder zitting.

De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De wegingsfactor ‘licht’ is toegepast omdat het beroep uitsluitend betrekking had op het niet tijdig beslissen. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 22 oktober 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €453,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20398

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 2 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 5 juli 2023.
Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
Eiser heeft vervolgens de rechtbank bericht dat hij bereid is om het beroep in te trekken op het moment dat verweerder heeft bevestigd dat hij de proceskosten zal vergoeden. De rechtbank heeft daarop geen reactie vernomen van verweerder. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beroep niet is ingetrokken.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] .

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van de aanvraag op 6 oktober 2025 aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiser, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Eiser heeft op 5 juli 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Op 2 mei 2025 heeft eiser zijn beroep ingesteld. De termijn om te beslissen op de aanvraag was op dat moment verstreken. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is dus terecht ingesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,= en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.