ECLI:NL:RBDHA:2025:19522

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.19763
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 43 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen asielaanvraag Sudan

Verzoeker uit Sudan diende een asielaanvraag in op 11 januari 2024. De minister moest uiterlijk binnen zes maanden beslissen, maar vanwege het besluitmoratorium voor Sudan gold een verlengde beslistermijn van maximaal 21 maanden. Verzoeker stelde de minister op 14 april 2025 in gebreke, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn toen nog niet was verstreken.

Op 7 augustus 2025 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank oordeelt dat de minister niet is tekortgeschoten omdat het beroep prematuur was ingesteld en het besluit binnen de verlengde termijn is genomen.

Daarom wordt het verzoek tot vergoeding van proceskosten door de minister afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier M.M. Mulder op 30 september 2025 in Utrecht.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat het beroep prematuur was en de minister binnen de verlengde beslistermijn heeft beslist.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.19763
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster], V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning (hierna: de aanvraag).
Op 7 augustus 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Hij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op het verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.¹
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.²
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister niet tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker door zijn aanvraag alsnog in te willigen, omdat de ingebrekestelling prematuur zou zijn.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Voor de vraag of de minister de proceskosten van verzoeker moet betalen is van belang of het beroep terecht is ingesteld. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
5. De minister heeft de aanvraag op 11 januari 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.³
6. Eiser komt uit Sudan. Met ingang van 8 juli 2023 tot en met 6 juli 2024 gold voor Sudan een besluitmoratorium.⁴ Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.⁵
7. De minister diende uiterlijk op 11 juli 2025 te beslissen op de aanvraag (11 januari 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 14 april 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend.
8. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de proceskosten door de minister af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
4 Stcrt. 2023, 18540 en Stcrt. 2024, 146.
5 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit instellen besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen Sudan.
30 september 2025
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.