In deze zaak verzoekt de werkgever, THE REAL ESTATE COMPANY B.V. (TREC), om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer [partij B]. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen. Ondanks dat [partij B] ziek is, staat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan de ontbinding in de weg, aangezien de verstoring van de arbeidsrelatie al vóór de ziekmelding had plaatsgevonden. Het voorwaardelijk tegenverzoek van [partij B] om een transitievergoeding wordt toegewezen, maar de verzoeken om een billijke vergoeding worden afgewezen, omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van TREC. De kantonrechter compenseert de proceskosten tussen partijen vanwege de familieband tussen [partij B] en de enig bestuurder/eigenaar van TREC.
De procedure omvat een verzoekschrift van TREC, een verweerschrift van [partij B] met een voorwaardelijk tegenverzoek, en een mondelinge behandeling. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de arbeidsverhouding tussen TREC en [partij B] ernstig en duurzaam is verstoord, wat leidt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. De kantonrechter oordeelt dat herplaatsing niet mogelijk is en dat het opzegverbod tijdens ziekte niet in de weg staat aan de ontbinding. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 december 2025, en TREC wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke transitievergoeding aan [partij B].