Art. 28 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 3:46 AwbArtikel 4 lid 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid politieke overtuiging
Eiser, een Sri Lankaans staatsburger, diende op 10 januari 2022 zijn vijfde asielaanvraag in met als nieuw asielmotief zijn politieke overtuiging en betrokkenheid bij Tamil-organisaties. De minister wees de aanvraag op 24 december 2024 af wegens kennelijke ongegrondheid, met name omdat hij twijfelde aan de geloofwaardigheid van eisers betrokkenheid bij de Tamil Coordinating Committee (TCC).
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de verklaring van eiser over zijn activiteiten voor de TCC niet gelooft, terwijl hij de betrokkenheid bij de voorganger STIN wel geloofwaardig achtte. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat de STIN is overgegaan in de TCC, mede op basis van Kamer van Koophandel-gegevens en verklaringen.
Daarom is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel en wordt het vernietigd. De minister krijgt zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de geloofwaardigheid van eisers politieke overtuiging.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51867 (beroep) en NL24.51868 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 vanPro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers betrokkenheid bij de Tamil Coordinating Committee (TCC) niet gelooft en daarom zijn politieke overtuiging deels ongeloofwaardig heeft geacht. Het beroep is daarom gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is geboren op [datum 1] 1987 en heeft de Sri Lankaanse nationaliteit. Hij heeft op 10 januari 2022 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 december 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij verzocht verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en A.P. Shanthan als tolk deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst om eiser de gelegenheid te geven om aanvullende informatie over te leggen. Ook heeft de rechtbank verweerder verzocht inhoudelijk te reageren op het beroep van eiser.
2.3.
Verweerder heeft op 20 mei 2025 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens de zaak op 2 juli 2025 opnieuw op zitting gepland. Verweerder heeft zich wederom schriftelijk afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft eiser vervolgens geïnformeerd dat zij zich voldoende voorgelicht acht en dat zij een nadere zitting niet nodig vindt. Eiser heeft daarmee ingestemd. Het onderzoek is daarna gesloten.
Overwegingen
Wat voorafging
3. Eiser heeft vier keer eerder een asielaanvraag ingediend. De eerdere aanvragen dateren van 30 maart 2011, 14 juni 2012, 15 april 2015 en 2 juni 2017. In de eerste asielaanvraag heeft eiser verklaard dat hij persoonlijke problemen heeft gehad met de Sri Lankaanse autoriteiten vanwege zijn gestelde betrokkenheid bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE). Deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch heeft het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 28 april 2011 [3] ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak op 19 mei 2011 [4] bevestigd.
3.1
In de tweede asielaanvraag heeft eiser naar voren gebracht dat hij vreest voor vervolging of ernstige schade vanwege deelname aan activiteiten van de Tamil beweging in Nederland. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 19 augustus 2014 [5] ongegrond verklaard.
3.2
In de derde asielaanvraag heeft eiser opnieuw een beroep gedaan op de in Nederland ontplooide politieke activiteiten. Deze activiteiten zijn niet beoordeeld als nieuwe feiten en omstandigheden. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats op 18 december 2015 [6] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 5 februari 2016 door de Afdeling bevestigd.
3.3
In de vierde asielaanvraag heeft eiser een iMMO-rapportage van 18 april 2017 overgelegd. Het beroep tegen de afwijzing van deze asielaanvraag heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam op 28 juni 2017 [7] gegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak in hoger beroep vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Het iMMO-rapport heeft niet geleid tot het geloofwaardig achten van eisers eerste asielrelaas.
De asielaanvraag
4. Eiser heeft op 10 januari 2022 de hier voorliggende vijfde asielaanvraag ingediend. In deze asielaanvraag wijst eiser op zijn politieke overtuiging. Hij verklaart voorstander te zijn van een Tamil Eelam en wenst zo een einde te maken aan de onderdrukking van Tamils. Hij stelt lid te zijn van het Tamil Forum en daarnaast neemt eiser deel aan de vergaderingen van Tamil Youth Organisation (TYO). Eiser heeft van 2021 tot 2024 deelgenomen aan verschillende demonstraties, herdenkingen en sportdagen die werden georganiseerd door het Tamil Forum en het Tamil Informatiecentrum. Eiser stelt dat hij meehelpt met de organisatie van die bijeenkomsten. Hij verklaart dat hij het streven naar een Tamil Eelam heeft geuit middels een tatoeage met het LTTE embleem. Ook verwijst hij naar zijn medisch dossier en het overlijden van zijn zus op [datum 2] 2021. Eiser doet een beroep op de uitspraak KK en RS van het Britse Upper Tribunal van 27 mei 2021 [8] , waaruit volgens hem blijkt dat activiteiten in het buitenland een significante risicofactor vormen bij terugkeer. Verder heeft eiser enkele artikelen uit Sri Lankaanse kranten overgelegd, waarin melding wordt gemaakt van demonstraties inclusief foto's daarvan. Eiser heeft een verklaring van Stichting Tamil Informatiecentrum Nederland en een verklaring van de Nederlandse Tamil Coordinating Committee (TCC) overgelegd. In beide verklaringen wordt eisers bijdrage aan de activiteiten bevestigd.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder één relevant asielmotief: de politieke overtuiging van eiser. Verweerder heeft dit ook aangemerkt als een nieuw en relevant element nu eisers politieke overtuiging niet eerder als asielmotief is beoordeeld.
5.1
Verweerder heeft dit asielmotief deels geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn asielmotief niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. Met uitzondering van de overgelegde verklaring van de TCC worden de verklaringen over eisers politieke overtuiging en zijn activiteiten geloofwaardig geacht. Verweerder gelooft niet dat hij ook voor de TCC activiteiten heeft verricht. De inhoud van de door eiser overgelegde verklaring van het TCC van 19 augustus 2024 valt niet te rijmen met zijn verklaring tijdens het gehoor dat hij niets met het TCC te maken wil hebben. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.
5.2
Eiser heeft volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt bij terugkeer ook geen reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Uit zijn verklaringen en de brief van de Stichting Tamil Informatiecentrum Nederland (STIN) blijkt niet dat eiser een grote organisatorische of publieke rol vervult binnen een Tamil organisatie waardoor hij vanwege zijn positie de aandacht zou trekken van de Sri Lankaanse autoriteiten. Uit het thematisch ambtsbericht Sri Lanka, van 6 juni 2024 komt het beeld naar voren dat de Sri Lankaanse autoriteiten vooral prominente figuren van verboden Tamil organisaties in het buitenland in de gaten houden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers politieke activiteiten waardoor hij persoonlijk in de negatieve belangstelling zou staan. In de eerdere procedures heeft eiser ook artikelen met foto's uit Sri Lankaanse media overgelegd waarop hij te zien zou zijn, maar niet is gebleken dat hij destijds en ook nu niet in de negatieve belangstelling stond of is komen te staan. Ook blijkt dat de monitoring van Tamil diaspora met name in het Verenigd Koninkrijk plaatsvindt. Het meest recente Thematische ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024 heeft geen aanleiding gevormd om landgebonden asielbeleid te formuleren voor Sri Lanka of om (toegedichte) aanhangers van de LTTE als risicoprofiel aan te wijzen. Eisers betrokkenheid bij de gesanctioneerde TYO wordt niet voldoende geacht om vervolging aannemelijk te achten. Verweerder wijst de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g van de Vw af als kennelijk ongegrond.
De gronden van beroep
6. Eiser voert aan dat hij actief is voor de STIN en voor de TCC. Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag een brief van de STIN van 17 maart 2022 overgelegd waarin wordt vermeld dat hij sinds 2017 betrokken is bij werkzaamheden van de stichting. Eiser is onder meer als vrijwilliger aan het werk geweest bij het organiseren van evenementen, demonstraties, sportdagen en herdenkingen. Hij heeft ook een verklaring van de stichting TCC van 19 augustus 2024 overgelegd waarin staat dat eiser sinds 2017 actief is voor de stichting. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de STIN is overgegaan in de TCC. Eiser wijst in dat verband op het feit dat de voorzitter van de TCC (de heer [naam] ) en ook het adres van de stichting TCC (in Ammerzoden) hetzelfde zijn als van de STIN. Hij stelt dat de TCC nu op een lijst van verboden terroristische organisaties staat in Sri Lanka en dat verweerder dit had moeten betrekken bij de beoordeling van het risico bij terugkeer. Eiser wijst in beroep op een artikel in de Gazette [9] van 20 februari 2025. Eiser betwist niet dat hij in het gehoor opvolgende aanvraag heeft verklaard niets met deze organisatie te maken te hebben, maar dat hij dit heeft verklaard omdat hij bang was dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij de TCC door verweerder als terrorist zou worden aangemerkt. Verder doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst daarbij naar twee ingewilligde beslissingen op asielaanvragen van Tamils in Nederland. Verweerder heeft volgens eiser ook niet alle door hem overgelegde landeninformatie bij de beoordeling betrokken.
6.1
In de aanvullende reactie van 13 maart 2025 heeft eiser een Uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd waarmee hij wil onderbouwen dat de STIN daadwerkelijk is overgegaan in de TCC in december 2022. Daarnaast heeft hij een bijlage overgelegd in het Tamil waaruit volgens eiser volgt dat de STIN is overgegaan in de TCC. Die vertaling heeft eiser via Google Translate laten vertalen.
Beoordeling van het beroep
7. De rechtbank stelt voorop dat eiser de beroepsgrond dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in de eerste asielaanvraag geen stand kan houden gelet op het overgelegde iMMO-rapport en de beroepsgrond dat verweerder vanwege de afschaffing van de zogenaamde ‘pok-toets’ in 2011 een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, ter zitting heeft laten vallen. De rechtbank zal deze gronden daarom niet bespreken.
De geloofwaardigheidsbeoordeling van de politieke overtuiging
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers betrokkenheid bij de TCC niet in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag een brief van de STIN van 17 maart 2022 overgelegd waarin wordt vermeld dat hij sinds 2017 betrokken is bij werkzaamheden van de stichting. Dit wordt door verweerder geloofwaardig geacht. Verweerder gelooft echter niet dat eiser activiteiten voor de TCC heeft verricht, ondanks dat hij daarvan een verklaring van de voorzitter van de TCC in Nederland heeft overgelegd. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de STIN is overgegaan in de TCC en dat de TCC inmiddels op een lijst van verboden organisaties staat in Sri Lanka. Zijn werkzaamheden voor de TCC heeft hij onderbouwd met de verklaring van 21 augustus 2024. Met het overleggen van het uittreksel van de Kamer van Koophandel in beroep heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat de STIN in 2022 is opgegaan in de TCC. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel leidt de rechtbank af dat beide organisaties dezelfde voorzitter hebben en op hetzelfde adres zijn gevestigd. Dat maakt het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de stichting STIN is overgegaan in de stichting TCC. Dit heeft eiser verder onderbouwd met een bericht van 15 januari 2025. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom wél van de geloofwaardigheid van eisers activiteiten voor de STIN is uitgegaan maar niet van de activiteiten voor de TCC. Dat dit bericht van 15 januari 2025 niet is vertaald door een beëdigde vertaler, doet er niet aan af dat eiser een begin van bewijs heeft geleverd voor de overgang naar TCC. Als verweerder hierover nog twijfels had, had het op de weg van verweerder gelegen om zelf onderzoek te doen naar de stichting TCC. De rechtbank wijst er in dit verband op de samenwerkingsplicht zoals neergelegd artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie [10] van de Europese Unie volgt dat de verzoeker weliswaar alle elementen tot staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk moet indienen, maar dat de autoriteiten van de lidstaten in voorkomend geval actief met hem moeten samenwerken om de relevante elementen van het verzoek te bepalen en aan te vullen. In het geval van eiser is aan één voorwaarde niet voldaan (artikel 31, zesde lid onder c) die op één tegenstrijdigheid is gebaseerd (dat hij heeft verklaard de TCC niet te kennen). Die enkele tegenstrijdigheid acht de rechtbank onvoldoende om het asielmotief (deels) ongeloofwaardig te achten in het licht van hetgeen verweerder wel geloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt.
9. Nu eiser een verklaring heeft dat hij sinds 2017 werkzaam is geweest voor de TCC en heeft onderbouwd dat de TCC in Sri Lanka op een lijst van verboden organisaties staat, dient verweerder een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Omdat die beoordeling relevant is voor de vraag of eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beoordeling van de zwaarwegendheid en het gelijkheidsbeginsel niet bespreken.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt.
11. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat er geen juiste geloofwaardigheidsbeoordeling door verweerder heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of een tussenuitspraak te doen. De rechtbank stelt een termijn van zes weken om een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.
12. Gezien deze uitspraak op het beroep, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op
€ 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van
€ 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 december 2024;
- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.