ECLI:NL:RBDHA:2025:19718

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/09/691440 / JE RK 25-1590
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige in het kader van ouderschap en zorgregeling

In deze zaak heeft de kinderrechter op 28 oktober 2025 een beschikking gegeven over een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, ingediend door de vader. De kinderrechter heeft het verzoek toegewezen voor een periode van zes maanden, met de mogelijkheid tot verlenging. De vader heeft zorgen geuit over de ontwikkeling van de minderjarige, die volgens hem ernstig wordt bedreigd door de huidige situatie met de moeder. De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en stelt dat de vader niet bevoegd is om dit verzoek in te dienen, omdat de Raad voor de Kinderbescherming niet heeft aangegeven een verzoek tot ondertoezichtstelling te willen indienen. De kinderrechter heeft echter geoordeeld dat de vader bevoegd is en dat er voldoende redenen zijn voor de ondertoezichtstelling, gezien de aanhoudende conflicten tussen de ouders en de impact daarvan op de minderjarige. De kinderrechter heeft benadrukt dat de ouders moeten samenwerken met de jeugdbeschermer en dat de ondertoezichtstelling gericht moet zijn op het verbeteren van de situatie voor de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/691440 / JE RK 25-1590
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. T. Ouwehand te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G. Perquin te Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de vader, met de producties 1 tot en met 21, ontvangen op 11 september 2025;
  • de producties 22 tot en met 29 van de vader, ontvangen op 9 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de moeder met de producties 1 tot en met 7, ontvangen op 10 oktober 2025.
  • het ter zitting voorgelezen stuk van de vader.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (opgeroepen op instigatie van de kinderrechter, hierna: de Raad).

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.4.
Bij beschikking van 4 februari 2025 heeft de familierechter in deze rechtbank
– voor zover hier van belang – bepaald wanneer [minderjarige] bij de vader zal zijn en hoe in het contact met [minderjarige] de vakanties en feestdagen tussen de ouders moeten worden verdeeld. Bij diezelfde beschikking zijn de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.
2.5.
De vader heeft tegen de beschikking van 4 februari 2025 hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag. De mondelinge behandeling bij het Gerechtshof zal plaatsvinden op 29 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De vader verzoekt primair om [minderjarige] onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar. Subsidiair verzoekt de vader [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling voor de duur van drie maanden. De vader verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vader motiveert het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt. Bij de vader bestaat de zorg dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Volgens de vader ontbreekt het op dit moment volledig aan regie rondom [minderjarige] en handelt de moeder niet in haar belang. Zo wordt de vader, ondanks dat hij mede het gezag over [minderjarige] heeft, regelmatig volledig buiten spel gezet. De moeder neemt beslissingen zonder daarover met de vader te overleggen. De moeder houdt [minderjarige] , bijvoorbeeld, zonder overleg met de vader, hele of halve dagen van school, terwijl de directeur van de school aan de ouders heeft laten weten van mening te zijn dat [minderjarige] hele dagen op school aankan. Ook legt de moeder vaak, zonder enige vorm van overleg, de door de familierechter vastgestelde zorgregeling naast zich neer en richt deze, naar eigen smaak, in. Verder ziet de vader dat de moeder op verschillende manieren de controle over [minderjarige] probeert te behouden wanneer [minderjarige] bij de vader is en dat zij geen emotionele toestemming geeft voor het contact van [minderjarige] met de vader. De moeder belast [minderjarige] ook met volwassenzaken. Daarnaast lukt het de moeder niet om op een constructieve manier met de vader in gesprek te gaan en komt de noodzakelijk geachte hulpverlening niet van de grond. De vader vreest dat [minderjarige] geen rust ervaart en hij is bang dat, zolang de moeder blijft doen wat zij doet, dit er uiteindelijk toe zal leiden dat het contact met [minderjarige] en één van de ouders zal eindigen en dat dit het contact tussen [minderjarige] en hem zal zijn. De vader is bereid om deel te nemen aan hulpverleningstrajecten, ook die waarnaar partijen eerder zijn verwezen. Het is, gelet op dit alles, noodzakelijk dat per direct een derde, te weten een jeugdbeschermer, zicht gaat krijgen op het welzijn van [minderjarige] en regie gaat nemen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder verzoekt om afwijzing van het verzoek met een veroordeling van de vader in de door moeder gemaakte proceskosten. Allereerst stelt de moeder dat de vader niet bevoegd is om het verzoek te doen. Pas als de Raad niet overgaat tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling, is een ouder bevoegd een dergelijk verzoek te doen. Nergens in het verzoekschrift van de vader wordt echter vermeld dat de Raad hem aldus heeft bericht of dat vader de Raad om indiening van zo’n verzoek heeft gevraagd. Het verzoek is ook nodeloos ingediend omdat dezelfde kwesties als die de vader met zijn verzoek aan de orde stelt, binnenkort voorliggen bij het Gerechtshof Den Haag. Daarnaast is de ondertoezichtstelling op inhoudelijke gronden niet gerechtvaardigd. De moeder accepteert wel hulpverlening voor [minderjarige] . Zo heeft de moeder veel contact met de huisarts van [minderjarige] , met wie de moeder tot voor kort gezamenlijke gesprekken met de vader voerde. Het is de vader geweest die bij het laatste gezamenlijke gesprek bij de huisarts is weggelopen en aangaf hier geen toegevoegde waarde meer in te zien. Ook heeft een jeugdarts [minderjarige] verwezen naar een kinderpsycholoog, echter vader geeft geen akkoord voor een behandeling. Deze is daarom nog niet opgestart. Om de communicatie tussen de ouders te verbeteren, zijn meerdere mediation-trajecten gestart, maar deze zijn steeds voortijdig door de vader beëindigd. De familierechter heeft de ouders in de beschikking van 4 februari 2025 verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor het traject Ouderschapsbemiddeling. De vader heeft echter hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking, reden waarom het Kenniscentrum de ouders heeft laten weten dat er geen traject kan worden opgestart. Van belang is verder dat in diezelfde beschikking het verzoek van de vader om een onderzoek door de Raad te gelasten, is afgewezen. De ouders staan lijnrecht tegenover elkaar en dit is niet in het belang van [minderjarige] . Hulp is nodig en had al lang opgestart kunnen worden.
4.2.
De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht het verzoek van de vader niet te ondersteunen. Het is duidelijk dat de vader en de moeder een verschillende opvoedstijl hebben en zij geen goede afspraken over [minderjarige] kunnen maken. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] , maar zolang de vader en de moeder niet ‘draaien’, kunnen er geen stappen worden gezet, ook niet binnen een gedwongen kader. De belangrijkste hulpverlening die moet worden ingezet, is de hulpverlening die ziet op de communicatie tussen de vader en de moeder; zij moeten in gezamenlijkheid gaan optreden. Deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling van het Kenniscentrum Kind en Scheiding kan de oplossing zijn.

5.De beoordeling

Bevoegdheid van de vader om het verzoek in te dienen
5.1.
In artikel 1:255 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een ouder een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige kan doen als de Raad niet tot indiening van een dergelijk verzoek overgaat. Sinds de invoering van de nieuwe Jeugdwet in 2015 is het uitgangspunt dat eerst op gemeentelijk niveau (via Veilig Thuis) wordt gekeken welke hulpverlening in een concreet geval via het wijkteam kan worden ingezet. Wanneer deze hulp niet toereikend blijkt of niet wordt aanvaard en er vervolgens toch zorgen blijven bestaan en nader onderzoek nodig lijkt, wordt de Raad in de zaak betrokken. Pas wanneer de Raad tot het oordeel komt dat geen verzoek wordt gedaan tot ondertoezichtstelling, kan een ouder – die het daarmee niet eens is – zich tot de kinderrechter wenden.
5.2.
Namens de moeder is aangevoerd dat de bevoegdheid van de vader om het verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen, ontbreekt omdat nergens uit blijkt dat, toen hij zijn verzoekschrift indiende, de Raad een dergelijk verzoek niet wilde doen. De kinderrechter volgt de moeder niet in dit verweer. Uit voornoemde wettelijke bepaling volgt niet dat op het moment dat een ouder een verzoek tot ondertoezichtstelling doet, al duidelijk moet zijn dat de bereidheid om een dergelijk verzoek in de dienen bij de Raad niet bestaat. De kinderrechter constateert verder dat de betrokkenheid van het vrijwillig kader niet tot vermindering van de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] heeft geleid. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de Raad het verzoek van de vader op dit moment niet overneemt. De vader is dus bevoegd tot het indienen van het verzoek.
Is er sprake van nodeloos procederen door de vader?
5.3.
Namens de moeder is ook aangevoerd dat het verzoek door de vader nodeloos is ingediend omdat op 29 oktober 2025 het hoger beroep dient dat de vader heeft ingesteld tegen de beschikking van de familierechter van 4 februari 2025 en de kwesties die de vader met het onderhavige verzoek aan de orde stelt, dan ook zullen worden besproken.
5.4.
De kinderrechter volgt de moeder ook hierin niet. Het hoger beroep heeft betrekking op de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. In de onderhavige procedure gaat het om een verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Dit zijn twee afzonderlijke procedures met elk een eigen toetsingskader. De omstandigheid dat de vader in het kader van het vaststellen van een zorgregeling ook heeft verzocht de Raad te gelasten een onderzoek in te stellen, doet hieraan niet af.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.6.
De kinderrechter is, evenals de Raad ter zitting heeft gesteld, van oordeel dat er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Zowel de vader als de moeder denken anders over wat [minderjarige] aan kan en wat zij nodig heeft. Dat verschil in visie maakt dat er telkens discussies en conflicten ontstaan over de uitvoering van de door de familierechter vastgestelde zorgregeling, over de schoolgang van [minderjarige] en de vraag of voor haar hulpverlening moet worden ingezet en zo ja, welke hulpverlening dat moet zijn. Uit de stukken en hetgeen is besproken ter zitting volgt dat de vader en de moeder geen vertrouwen hebben in elkaar en constructieve communicatie tot op heden uitblijft. [minderjarige] staat in het middelpunt van de discussies en conflicten, die al enkele jaren gaande zijn. Ondanks verschillende pogingen van hulpverleners om de vader en de moeder op één lijn te krijgen en het belang van [minderjarige] voorop te stellen, is er geen doorbraak geforceerd. Ook het vaststellen van een zorgregeling door de familierechter heeft geen rust gebracht. Al deze gebeurtenissen hebben ongetwijfeld veel impact op [minderjarige] . Zowel de vader als de moeder gebruiken in hun stukken ook termen als ‘schadelijk’ en ‘klem zitten’ als het gaat over de vraag welke invloed hun onderlinge strijd heeft op [minderjarige] . Verder maken de vader en de moeder ook beide melding van zorgelijke uitspraken (hoewel niet dezelfde) die [minderjarige] doet als zij bij één van hen thuis is. De kinderrechter weegt verder mee dat een jeugdarts aanleiding heeft gezien [minderjarige] te verwijzen naar een kinderpsycholoog vanwege ‘overgevoeligheid voor externe prikkels, slecht slapen en vermoeidheid’, dat de school van [minderjarige] wegens structureel schoolverzuim (en nu [minderjarige] bijna leerplichtig is) contact heeft gelegd met de leerplichtambtenaar en de school bij de JGGZ heeft gevraagd om te onderzoeken of er een medische reden is voor dat verzuim. Gelet op de aanhoudende strijd tussen de vader en de moeder en de niet geslaagde pogingen van de hulpverlening om dit een andere kant op te sturen, kan voorts worden vastgesteld dat de vader en de moeder niet in staat zijn om de zorgen over [minderjarige] zelfstandig, in het vrijwillige kader, weg te nemen, hetgeen ook besloten ligt in hetgeen de Raad ter zitting naar voren heeft gebracht.
5.7.
De Raad heeft ter zitting ook gesteld dat een ondertoezichtstelling van [minderjarige] geen verandering in de situatie zal brengen omdat een jeugdbeschermer geen ‘politieagent’ is en een jeugdbeschermer de vader en de moeder niet kan verplichten om aan hun onderlinge relatie te werken en om samen te werken. De vader en de moeder moeten volgens de Raad intrinsiek gemotiveerd zijn om de situatie te veranderen en dat zijn zij, aldus de Raad, momenteel niet. Ook de kinderrechter twijfelt of een ondertoezichtstelling de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] zal kunnen afwenden, echter zij acht de maatregel niettemin gerechtvaardigd in het belang van [minderjarige] die, gezien haar leeftijd, op een kantelpunt in haar ontwikkeling staat. Dit betekent wel, en de kinderrechter benadrukt dit, dat de vader en de moeder moeten gaan samenwerken met de aan te stellen jeugdbeschermer en het vertrouwen moeten uitspreken in het uitvoeren van de taken die een jeugdbeschermer gewoonlijk uitvoert (in het bijzonder het inzetten van hulpverlening en regievoering). In dit verband merkt de kinderrechter op dat zij de indruk heeft gekregen dat de vader te hoge verwachtingen heeft gekregen van een jeugdbeschermer. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat een jeugdbeschermer de ouders kan doen inzien hoe zij de belangen van [minderjarige] voorop kunnen stellen. De taak van een jeugdbeschermer is echter niet die van een crisisbestrijder.
5.8.
In het belang van [minderjarige] moeten de doelen van de ondertoezichtstelling in ieder geval de volgende zijn:
  • het creëren van een situatie waarin [minderjarige] een fijn en onbelast contact heeft met beide ouders;
  • het realiseren van een schoolgang van [minderjarige] die past bij wat zij aankan;
  • het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige] , waar dat nodig wordt geacht;
  • het ondersteunen van de ouders bij het zoeken naar hulpverlening die verandering kan brengen in de wijze waarop zij communiceren en zich tot elkaar verhouden.
Van groot belang is voorts dat de vader en de moeder een door de familierechter vastgestelde zorgregeling nakomen en dat zij focus op [minderjarige] houden.
5.9.
Omdat de kinderrechter wil monitoren of een ondertoezichtstelling doelmatig/effectief zal blijken te zijn, zal zij deze uitspreken voor de duur van zes maanden en het verzoek van de vader voor het overige aanhouden tot een nader te bepalen zitting. Jeugdbescherming west Haaglanden zal worden aangewezen als meest gerede gecertificeerde instelling om aan de ondertoezichtstelling uitvoering te geven. Het verzoek aan de aan te stellen jeugdbeschermer is om uiterlijk één week vóór de nader te bepalen zitting een schriftelijke update aan de kinderrechter te doen toekomen, waarin wordt ingegaan op de stand van zaken betreffende de hiervoor geformuleerde doelen en op de doelmatigheid/effectiviteit van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter wijst er nog op dat als over zes maanden blijkt dat de ondertoezichtstelling niet voldoende heeft gebracht, er strenger dan nu zal worden gekeken naar de vraag of voortzetting van die maatregel gerechtvaardigd is.
5.10.
Omdat het primaire verzoek van de vader, zij het deels, wordt toegewezen, stelt de kinderrechter vast dat aan een beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vader niet wordt toegekomen.
5.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 28 oktober 2025 tot 28 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting bij
mr. J.E. Bierling, gelegen vóór 28 april 2026, tegen welke zitting de Raad, de gecertificeerde instelling, de vader en de moeder en hun advocaten dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verzoekt de gecertificeerde instelling om
uiterlijk één weekvóór voornoemde
zitting een schriftelijke update te overleggen zoals omschreven in de rechtsoverwegingen 5.8 en 5.9.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. S.M. Plug als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.