ECLI:NL:RBDHA:2025:19720
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel beoordeeld. Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft zijn aanvraag ingediend, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze niet in behandeling genomen op basis van de Dublinverordening, die bepaalt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank heeft op 21 oktober 2025 de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar de gemachtigde van eiser zich had afgemeld en eiser zelf niet is verschenen.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft in een eerder aanmeldgehoor verklaard geen bezwaar te hebben tegen overdracht aan Duitsland en heeft niet adequaat gecommuniceerd met zijn gemachtigde, die meerdere pogingen heeft gedaan om contact te leggen. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding van de zitting af, omdat de verantwoordelijkheid voor het niet indienen van een zienswijze bij eiser ligt. De rechtbank oordeelt dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de belangen van voortgang van de procedure zwaarder wegen dan die van eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg en is openbaar gemaakt op 24 oktober 2025. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan binnen een week hoger beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.