ECLI:NL:RBDHA:2025:19733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
11518482
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontbinding van koopovereenkomst wegens non-conformiteit van geleverde goederen

In deze zaak vordert eiser, [eiser], de ontbinding van de koopovereenkomsten met gedaagde, [gedaagde 1], en terugbetaling van de aankoopbedragen van een multimediasysteem en een klimaatpaneel, die hij bij gedaagde heeft aangeschaft. Eiser stelt dat de geleverde goederen gebreken vertonen en dat hij recht heeft op een deugdelijk product conform artikel 7:17 BW. Gedaagde betwist echter dat er sprake is van gebreken en stelt dat er geen verzuim aan zijn zijde is, omdat eiser hem niet in gebreke heeft gesteld. De kantonrechter oordeelt dat eiser niet voldoende heeft onderbouwd dat gedaagde in verzuim was en dat hij geen gelegenheid heeft gegeven om de gebreken te herstellen. De vorderingen van eiser worden afgewezen, en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen op 17 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
MvD (B/C)
Zaaknummer: 11518482 \ CV EXPL 25-239
Vonnis van 17 september 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: W.S. Suurbier,
tegen
[gedaagde 1] H.O.D.N. [handelsnaam],
wonende en kantoorhoudende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 8 januari 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de akte houdende aanvullend bewijs van [eiser] van 21 mei 2025, met producties;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de brief van de zijde van [eiser] met productie 10;
- de mondelinge behandeling van 22 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Door (de gemachtigde van) [eiser] zijn pleitaantekeningen overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft bij [gedaagde 1] een Multimadiasysteem Range Rover aangeschaft voor een bedrag van € 1.873,00. Op 14 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] het multimediasysteem geleverd en gemonteerd in het voertuig van [eiser] .
2.2.
Op 22 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] tegen betaling van € 800,00 een klimaatpaneel geïnstalleerd in het voertuig van [eiser] .
2.3.
In een aan [gedaagde 1] overhandigde brief van 28 oktober 2024 heeft [eiser] klachten geuit over zowel het navigatiescherm als het kachel bedieningsscherm.
2.4.
Op 28 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] het multimediasysteem en het klimaatpaneel onderzocht.
2.5.
In een brief van 19 november 2024, uit [eiser] klachten over het multimediasysteem en het klimaatpaneel. Ook heeft [eiser] in de brief opgenomen:

Op grond van de wet heb ik recht op een deugdelijk product. Nu daarvan geen sprake is en reparatie geen oplossing biedt, verzoek ik u vriendelijk maar dringend om de overeenkomst te ontbinden. Ik verzoek u hierbij het aankoopbedrag van € 2.673,00 binnen 14 dagen over aan mij terug te betalen (…)”.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert samengevat:
  • i) te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomsten zijn ontbonden,
  • ii) betaling van het aankoopbedrag van het multimediasysteem ad € 1.873,00,
  • iii) betaling van het aankoopbedrag van het klimaatpaneel ad € 800,00,
  • iv) betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Ontbinding van de overeenkomst is gerechtvaardigd op grond van non-conformiteit ex artikel 7:17 BW. De gebreken richten zich op slechte telefonische communicatie en op het niet functioneren van de massagefunctie en het sporadisch wegvallen van de gehele stoelventilatie.
3.3.
[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde 1] voert het volgende aan. [gedaagde 1] betwist dat er sprake is van gebreken aan de systemen. Voor zover er al een gebrek was, geldt dat [gedaagde 1] niet in gebreke is gesteld en geen gelegenheid heeft gehad om te herstellen, zodat er geen sprake is van verzuim.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] doet een beroep op artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) en stelt dat het door hem aangekochte multimediascherm en het klimaatpaneel kort na aankoop en inbouw al diverse gebreken vertoonde, waardoor de producten niet voldoen aan de overeenkomst. De vraag of van een dergelijke tekortkoming sprake is kan echter in het midden blijven. [gedaagde 1] heeft zich er namelijk terecht op beroepen dat er geen sprake is van verzuim aan zijn zijde, wat voor het ontstaan van het recht op ontbinding en voor het ontstaan van ongedaanmakingsverplichtingen wel noodzakelijk is. De kantonrechter legt dat hierna uit.
4.2.
Verzuim treedt op grond van het bepaalde in artikel 6:82 lid 1 BW in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Een ingebrekestelling kan achterwege blijven indien de schuldeiser uit de mededelingen van de schuldenaar moet afleiding dat deze in de nakoming te kort zal schieten.
4.3.
[eiser] stelt dat er sprake is geweest van een aaneenschakeling van klachten, contactmomenten en herstelpogingen. Meer specifiek stelt hij de gebreken al voor 22 oktober 2024 en daarnaast met de brief van 28 oktober 2024 bij [gedaagde 1] te hebben gemeld, waarna [gedaagde 1] heeft geprobeerd de gebreken te verhelpen. Reparatie is volgens [eiser] keer op keer niet gelukt waaruit volgens [eiser] volgt dat nakoming uit zal blijven. Een formele ingebrekestelling zou daarom niet nodig zou zijn op grond van artikel 6:83 BW. Daarom heeft [eiser] de overeenkomst met de brief van 19 november 2024 mogen ontbinden en terugbetaling van het aankoopbedrag verzocht, aldus [eiser] .
4.4.
Volgens [gedaagde 1] is hij door de brief van 28 oktober 2024 bekend geworden met de vermeende gebreken. Op die dag heeft hij in het bijzijn van [eiser] het multimediasysteem en klimaatpaneel onderzocht waarna hij, eveneens in het bijzijn van [eiser] , tot de conclusie is gekomen dat er op dat moment geen gebreken waren waar te nemen. Pas per brief van 19 november 2024 werd [gedaagde 1] door [eiser] op de hoogte gebracht van aanblijvende gebreken. Toen ging [eiser] meteen over tot ontbinding en werd hem geen gelegenheid geboden om te herstellen. [gedaagde 1] concludeert niet te zijn aangemaand, zodat er geen sprake is van verzuim.
4.5.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij betwisting van het standpunt dat er sprake is van verzuim– zoals hier het geval is – wordt een deugdelijke onderbouwing van die feiten van de partij die daarop een beroep doet, verwacht. [eiser] is in deze procedure in de gelegenheid geweest om de door hem gestelde feiten nader te onderbouwen, te weten bij dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling. Een deugdelijke onderbouwing van het standpunt, dat [gedaagde 1] in verzuim verkeerde doordat [eiser] hem al vóór 19 november 2024 had aangemaand of doordat [gedaagde 1] door haar houding had duidelijk gemaakt dat aanmaning zinloos zou zijn, is echter uitgebleven. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling de door [gedaagde 1] geschetste gang van zaken op 28 oktober 2024 bevestigd. Hiermee staat vast dat het bezoek van [gedaagde 1] aan [eiser] op die datum, waarbij de gestelde gebreken zijn onderzocht, is geëindigd met de constatering dat er op dat moment geen gebreken waar te nemen waren. Op dat moment mocht [gedaagde 1] er dus van uit gaan dat er geen (te verhelpen) problemen waren. [eiser] heeft niet onderbouwd dat [eiser] ná 28 oktober 2024 maar vóór de ontbindingsbrief van 19 november 2024 Autoschade24 ervan op de hoogte heeft gesteld dat [eiser] (nog) niet tevreden was over het multimediasysteem en het klimaatsysteem. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] zijn stelling op dit punt, na de betwisting van [gedaagde 1] , onvoldoende nader heeft onderbouwd, zodat zij aan deze stelling voorbij gaat en aan bewijslevering niet wordt toegekomen.
4.6.
De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [gedaagde 1] (pas) met de brief van 19 november 2024 ermee bekend werd dat [eiser] nog altijd problemen ervaarde met de systemen. De brief van 19 november 2024 bevat echter geen aanmaning. De ratio van het vereiste van een ingebrekestelling is dat een verkoper de gelegenheid moet krijgen om een gebrek te herstellen. Die gelegenheid heeft [eiser] [gedaagde 1] niet gegeven. De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat [eiser] uit mededelingen van [gedaagde 1] had mogen opmaken dat hij niet tot herstel over zou gaan. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt welke mededeling van [gedaagde 1] dat zou zijn geweest. Er doet zich dus niet één van de in artikel 6:83 BW genoemde situaties voor, waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt.
4.7.
Dit alles betekent dat [gedaagde 1] niet in verzuim is geraakt. Er is daardoor niet voldaan aan alle vereisten om tot ontbinding over te mogen gaan. Om die reden zullen de vorderingen van [eiser] , die allemaal zijn gebaseerd op de stelling dat [eiser] gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden, worden afgewezen.
4.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punt × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
595,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Westerhuis-Evers en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.