Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Bestreden besluit
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse nationaliteit, vroeg asiel aan op 22 juli 2022 met als grond dat hij vervolgd zou worden vanwege zijn niet-geloven in de islam, problemen met de Shweelat-stam, de werkzaamheden van zijn ooms bij het Ba’ath-regime en zijn politieke overtuiging.
De minister van Asiel en Migratie wees het verzoek af omdat de aangevoerde gronden onvoldoende aannemelijk waren. Zo was er geen bewijs dat de ooms officier waren of dat hun overlijden verband hield met hun Ba’ath-lidmaatschap. De problemen met de stam en het niet-geloven werden erkend, maar de ernst en het vervolgingsgevaar werden niet aannemelijk geacht. Ook was er onvoldoende bewijs dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging vervolgd zou worden.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade of vervolging. Tevens is niet voldaan aan de criteria van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het beroep is daarom afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.