ECLI:NL:RBDHA:2025:19816

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 september 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
AMS 25/13630
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige beëindiging van opvang van asielzoeker door COA

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 september 2025 uitspraak gedaan in een beroep van eiser, een Soedanese asielzoeker, tegen de beëindiging van zijn opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Eiser had sinds 18 december 2024 een verblijfsstatus en verbleef in een opvanglocatie van het COA. Op 3 juni 2025 beëindigde het COA zijn opvang, omdat eiser zich niet had gemeld na een incident waarbij hij was mishandeld door een medebewoner. Eiser voerde aan dat hij zich niet veilig voelde in de opvang en tijdelijk bij een vriend verbleef. Hij had wel contact gehouden met het COA en was in afwachting van een oplossing voor zijn situatie. De rechtbank oordeelde dat de beëindiging van de opvang onrechtmatig was, omdat het COA niet had voldaan aan de voorwaarden van artikel 20 van de Opvangrichtlijn. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en oordeelde dat eiser recht had op vergoeding van proceskosten. De rechtbank concludeerde dat de beëindiging van de opvang niet alleen onzorgvuldig was, maar ook in strijd met de wetgeving, aangezien eiser in contact was gebleven met het COA en er geen sprake was van een situatie die de beëindiging rechtvaardigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13630

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de opvang van eiser in een opvanglocatie van verweerder. Eiser is het daar niet mee eens. Hij heeft beroep ingesteld tegen die beslissing en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ervoor zorgt dat hij weer tot de opvang wordt toegelaten. Het verzoek om een voorlopige voorziening is naar aanleiding van ontwikkelingen in de zaak ingetrokken, met verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Op dit verzoek wordt beslist in een aparte uitspraak.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beëindiging van de opvang van eiser onrechtmatig is geweest. Eiser krijgt dus gelijk, het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 en heeft de Soedanese nationaliteit. Eiser heeft sinds 18 december 2024 een verblijfsstatus asiel bepaalde tijd. Eiser verbleef in een opvanglocatie van verweerder. Op 3 juni 2025 heeft verweerder de opvang van eiser beëindigd. Verweerder heeft eiser dit laten weten met een brief van dezelfde datum ‘Melding vertrokken bewoners’ (het bestreden besluit).
2.2.
Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft de opvanglocatie moeten verlaten, omdat hij slachtoffer is geworden van mishandeling door een medebewoner. Eiser heeft hier aangifte van gedaan. Hij voelde zich niet meer veilig om terug te keren naar de opvang omdat de betreffende medebewoner ook na de aangifte en interventie door het Openbaar Ministerie doorging met intimideren. Eiser was met verweerder in gesprek over een oplossing voor deze situatie. Eiser heeft tijdelijk bij een vriend verbleven omdat hij vreesde voor zijn veiligheid. Gedurende deze tijd heeft eiser zich een paar keer niet gemeld bij de opvang, maar hij heeft wel steeds telefonisch en via WhatsApp contact gehouden met de COa-medewerker die zijn contactpersoon in de opvanglocatie was. Uiteindelijk kreeg hij een laatste uitdrukkelijk verzoek van verweerder om zich te melden. Hier heeft hij zich wel aan gehouden: hij is toen teruggekeerd naar de opvanglocatie en heeft zich gemeld. Ondanks dat heeft verweerder zijn opvang beëindigd met de brief ‘Melding vertrokken bewoners’. Eiser werd verteld dat hij ‘uit het systeem was gehaald, omdat hij drie aanmeldingen had gemist’. Eiser begreep niet waarom hij de opvang moest verlaten, nu hij voor zijn eigen veiligheid was weggegaan, hij wel steeds in contact was gebleven met verweerder en nu verweerder hem ook steeds had laten weten bezig te zijn met het vinden van een oplossing voor de situatie.
2.3.
De rechtbank heeft verweerder voorafgaand aan de zitting gevraagd of zij, gelet op het verhaal van eiser, ruimte ziet voor een minnelijke oplossing in deze zaak, door eiser opnieuw toe te laten tot de opvang.
2.4.
Verweerder heeft op 28 augustus 2025 per e-mail laten weten dat eiser bij hoge uitzondering weer toe wordt gelaten tot de opvang, dat eiser zich met dat schrijven kan melden in [locatie 1] en dat het huisvestingstraject weer opgestart zal worden.
2.5.
De rechtbank heeft eiser gevraagd of deze toezegging wellicht aanleiding is voor hem om zijn beroepschrift en verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken. Eiser heeft op 29 augustus 2025 laten weten dat hij zijn verzoek om een voorlopige voorziening intrekt. Hij verzoekt de rechtbank daarbij om verweerder te veroordelen in de proceskosten van de voorlopige voorziening. Eiser handhaaft zijn beroep. Eiser stelt nog belang te hebben bij een behandeling van zijn beroep, onder andere omdat hij in de periode vanaf de beëindiging van de opvang (3 juni 2025) tot aan de datum waarop hij opnieuw tot de opvang wordt toegelaten (2 september 2025) schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige besluit om de opvang te beëindigen. De schade van eiser bestaat uit zowel materiële schade (onder meer het mislopen van leefgeld) als immateriële schade (de grote psychische impact die het beëindigen van opvang op hem heeft gehad).
2.6.
Met een e-mail van 31 augustus 2025 heeft een medewerker van verweerder de rechtbank laten weten bereid te zijn het leefgeld over de periode dat eiser niet in de opvang verbleef alsnog te betalen en ook de proceskosten te betalen. Verweerder heeft ook meegedeeld het huisvestigingstraject weer op te starten en te hebben geregeld dat eiser zich niet in [locatie 1] hoeft te melden voor de opvang, maar dat voor eiser een opvangplek is geregeld in Amsterdam. Voor eiser komt dat beter uit, omdat hij op korte termijn zal starten met een studie in Amsterdam. Verweerder heeft ook meegedeeld niet op de zitting te zullen verschijnen.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en M.L. Barbary als tolk in het Soedanees-Arabisch deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Is de rechtbank bevoegd?
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat de beëindiging van de opvang met de brief ‘Melding vertrokken bewoners’ van 3 juni 2025 kan worden aangemerkt als een handeling van verweerder, die op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa met een besluit gelijk wordt gesteld. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 staat hiertegen geen bezwaar, maar enkel beroep open. Dat brengt mee dat de rechtbank bevoegd is om over het onderhavige beroep een oordeel te geven.
Is het beroep ontvankelijk?
4.1.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser, nu hij door verweerder weer is toegelaten tot de opvang, nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep.
4.2.
Van procesbelang is sprake als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [1]
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat niet op voorhand onaannemelijk is dat eiser schade heeft geleden door het besluit van verweerder. Hoewel verweerder eiser inmiddels weer heeft toegelaten tot de opvang en heeft toegezegd het gemiste leefgeld te zullen nabetalen, kan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nog wel van belang zijn voor eiser voor de toekomst. Eiser heeft vanaf 3 juni 2025 gedurende bijna drie maanden rondgezworven, waardoor hij mogelijk belangrijke post niet heeft ontvangen. Eiser kan nu nog niet volledig in kaart brengen welke post hij mogelijk heeft gemist en of hij mogelijk bepaalde rekeningen of termijnen heeft gemist. Dat eiser immateriële schade heeft geleden is ook niet op voorhand onaannemelijk, nu eiser in de periode waarin hij geen opvang had heeft moeten overleven op straat. Hij verbleef overal en nergens, heeft buiten moeten slapen en wist iedere dag opnieuw niet hoe hij aan eten zou komen. Dat dit negatieve invloed op zijn psychische toestand heeft gehad is zonder meer aannemelijk. Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat zij het huisvestingstraject voor eiser weer heeft opgestart en dat zij de plek van eiser op de wachtlijst bij de gemeente Utrecht heeft hersteld. Onduidelijk is echter nog of de plek van eiser op de wachtlijst wordt hersteld naar de positie die eiser op deze wachtlijst had vóór de beëindiging van de opvang, of dat eiser nu opnieuw op de wachtlijst wordt geplaatst. Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.
Was de beëindiging van de opvang en het onthouden van opvang in voornoemde periode onrechtmatig?
5.1.
Gelet op wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de beëindiging van de opvang en het onthouden van opvang in voornoemde periode onrechtmatig was. Deze vraag hangt nauw samen met het feitenverloop voorafgaand aan de beëindiging. De rechtbank loopt deze feiten daarom na. Verweerder heeft onderstaande feiten, zoals deze zijn geschetst door eiser, niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van dit feitenverloop.
5.2.
Eiser verbleef één jaar en acht maanden op een opvanglocatie van verweerder. Op
3 mei 2024 werd eiser in deze opvanglocatie door een medebewoner geslagen. Eiser heeft daarvan op diezelfde dag aangifte gedaan bij de politie. Eiser gaf daarbij aan dat de medebewoner hem opeens begon uit te schelden. Eiser wilde weggaan, toen de medebewoner hem sloeg. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens besloten de medebewoner niet te vervolgen, omdat hij door de gebeurtenis al genoeg zou zijn gestraft. Aan de medebewoner is door het Openbaar Ministerie wel een proeftijd van één jaar opgelegd, waarin hij zich aan voorwaarden moet houden. Toen eiser na de aangifte terugkwam in de opvanglocatie, kwam de bewoner die hem had bedreigd en aangevallen telkens dicht bij hem zitten. Eiser voelde zich daardoor niet meer veilig en wilde niet meer in de opvanglocatie blijven. Eiser heeft dit aan verweerder laten weten. Verweerder gaf aan een oplossing te zoeken voor de situatie. Eiser zou na vier dagen moeten terugkomen. Eiser heeft toen vier dagen bij een vriend doorgebracht. Daarna had hij weer een afspraak bij verweerder, waarin hem werd gevraagd nog een week te wachten om het probleem op te lossen. Eiser heeft toen nog een week gewacht. Na die week had verweerder nog geen oplossing geboden aan eiser. Eiser heeft toen bij Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) aangeklopt. VWN heeft namens eiser contact opgenomen met verweerder. Uit dat gesprek bleek dat eiser nog één of twee weken zou moeten wachten. Eiser is weer tijdelijk bij een vriend gaan slapen, omdat de medebewoner die hem eerder had belaagd nog steeds op de opvanglocatie verbleef. In de drie weken dat eiser niet op de opvang was, heeft hij zich niet gemeld op de opvanglocatie. Wel heeft hij steeds contact gehad met de COa-medewerker die zijn contactpersoon was in de opvanglocatie. Na drie weken werd eiser gebeld door een COa-medewerker en werd hem meegedeeld dat hij drie keer niet op de meldplicht was verschenen. Aan eiser werd een laatste kans gegeven om zich te melden, anders zou de opvang worden beëindigd. Eiser heeft zich toen gemeld. Daarna heeft hij een week op de opvanglocatie verbleven, zonder zijn kamer te verlaten, omdat hij bang was voor de medebewoner die hem eerder had belaagd. Na deze week werd eiser uitgenodigd voor een afspraak met een COa-medewerker om een oplossing te zoeken. In plaats daarvan werd aan eiser bij dat gesprek meegedeeld dat hij uit het systeem was gehaald, omdat hij drie keer niet was verschenen bij de meldplicht. Zijn opvang was beëindigd. Eiser kreeg de brief ‘Melding vertrokken bewoner’ van 3 juni 2025 mee, waarin als reden was aangekruist ‘Beëindiging opvang administratieve plaatsing’.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de beëindiging van de opvang en het onthouden van opvang gedurende voornoemde periode niet alleen onzorgvuldig, zoals verweerder toegeeft, maar ook in strijd met de bepalingen van de Opvangrichtlijn [2] , en dus onrechtmatig, is geweest. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
5.4.
Uit bovengenoemd feitenverloop volgt dat eiser bij een vriend verbleef en zich een aantal keer niet heeft gemeld op de opvang, omdat hij zich onveilig voelde op de opvanglocatie na mishandeling, belaging en intimidatie door een medebewoner. In de periode dat verweerder bezig was met het vinden van een oplossing, was er regelmatig contact tussen eiser en verweerder, telefonisch en via WhatsApp. Verweerder was op de hoogte van de situatie van eiser en wist waarom eiser – in afwachting van een oplossing – bij een vriend verbleef en zich niet meldde op de opvanglocatie. Toen verweerder binnen drie weken nog geen oplossing had gevonden, heeft verweerder eiser gevraagd om zich te melden. Eiser heeft zich toen ook gemeld en een week later werd eiser uitgenodigd voor een afspraak met een COa-medewerker om een oplossing te zoeken. Tijdens die afspraak is echter niet – althans niet dat de rechtbank kan vaststellen - gesproken over een oplossing, maar is aan eiser meegedeeld dat zijn opvang is beëindigd vanwege het niet voldoen aan de meldplicht.
5.5.
De rechtbank overweegt dat de wijze waarop verweerder de opvang van eiser heeft beëindigd en eiser opvang heeft onthouden in de periode van 3 juni 2025 tot
2 september 2025 in strijd is met artikel 20 van de Opvangrichtlijn. In artikel 20, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, die in de bijlage van deze uitspraak ook staat genoemd, staat dat de lidstaten de materiële opvangvoorzieningen in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen intrekken indien een verzoeker: a) de door de bevoegde instanties vastgestelde verblijfplaats verlaat zonder deze instanties op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming; of b) gedurende een in het nationale recht vastgestelde redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure. In het vijfde lid van dit artikel staat dat beslissingen tot intrekking van materiële opvangvoorzieningen individueel, objectief en onpartijdig worden genomen en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 21 van de Opvangrichtlijn [3] vallen en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische hulp overeenkomstig artikel 19 van de Opvangrichtlijn en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het geval van eiser bij de beëindiging van de opvang niet aan de voorwaarden van artikel 20 van de Opvangrichtlijn heeft gehouden. Eiser heeft de opvanglocatie verlaten, maar heeft wel steeds contact gehouden met verweerder en verweerder was ervan op de hoogte dat eiser vanwege vrees voor zijn veiligheid bij een vriend verbleef, na het incident met de medebewoner. Van de situatie als genoemd in artikel 20, eerste lid, sub a, van de Opvangrichtlijn is dus geen sprake geweest. De situatie beschreven in sub a is die waarin een vreemdeling vertrekt met onbekende bestemming (MOB) en waarin er geen enkel contact met of zicht is op de vreemdeling. De situatie van eiser was wezenlijk anders dan een MOB-situatie. De situatie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, sub b, doet zich hier evenmin voor. Eiser heeft zich weliswaar een aantal keer niet gemeld, maar toen verweerder hem opriep om zich te melden, heeft hij dat ook gedaan en heeft hij een week in de opvanglocatie verbleven waarna hij ook op de geplande afspraak is verschenen. De rechtbank ziet ook niet in hoe hier sprake kan zijn geweest van een ‘uitzonderlijke situatie’ als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, nu eiser steeds contact onderhield met verweerder en verweerder hem telkens meedeelde dat zij op zoek was naar een oplossing voor zijn situatie.
5.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de beslissing om de opvang te beëindigen ook niet naar behoren heeft gemotiveerd, zoals is vereist op grond van artikel 20, eerste en vijfde lid, van de Opvangrichtlijn. Eiser ontving alleen een brief ‘Melding vertrokken bewoner’, waarin als reden voor vertrek is aangekruist: ‘Opvang van de administratief geplaatste bewoner wordt beëindigd’. Uit de brief wordt echter niet duidelijk waarom de opvang in het specifieke geval van eiser, gelet op alle feiten en omstandigheden, is beëindigd. Volgens artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn moet een beslissing tot beëindiging van opvang worden genomen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Ook aan die eis is in dit geval niet voldaan, nu er in de brief niets staat over hoe de beëindiging van opvang zich verhoudt tot het feitenverloop en waarom beëindiging van opvang in het licht van dat feitenverloop proportioneel zou zijn. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank meegedeeld dat het einde van de opvang voortvloeide uit het herhaaldelijk niet melden van eiser en dat dit van rechtswege volgt uit artikel 12, tweede lid, bezien in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Rva 2005. [4] Omdat verweerder eiser een vierde kans heeft gegeven en die weer heeft teruggedraaid, wat niet zorgvuldig was, heeft eiser nu weer een plek in de opvang, aldus verweerder. De rechtbank begrijpt deze uitleg zo dat verweerder de beëindiging van de opvang van eiser niet onrechtmatig vindt, maar alleen onzorgvuldig. Zij volgt verweerder niet in dat standpunt. De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar wat hierboven is overwogen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verweerder zich gelet op het feitenverloop in deze zaak niet met succes kan beroepen op artikel 7, eerste lid, Rva 2005 in samenhang met artikel 12, tweede lid, Rva 2005 (kort gezegd: het twee keer niet voldoen aan de meldplicht), nu verweerder volledig van eisers situatie op de hoogte was, verweerder eiser zelf opnieuw uitnodigde om zich te melden en eiser zich toen heeft gemeld en opnieuw een week op de opvanglocatie heeft verbleven.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 3:4, tweede lid, en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 20 van de Opvangrichtlijn. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu eiser sinds 2 september 2025 weer is toegelaten tot de opvang hoeft de rechtbank verweerder niet te gelasten dat alsnog te doen.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Artikel 20 van de Opvangrichtlijn
Beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen
1. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken indien een verzoeker:
a)
de door de bevoegde instanties vastgestelde verblijfplaats verlaat zonder deze instanties op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming; of
b)
gedurende een in het nationale recht vastgestelde redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; dan wel
c)
een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van Richtlijn 2013/32/EU heeft ingediend.
In de onder a) en b) bedoelde gevallen, wanneer de verzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig bij de betrokken instantie meldt, wordt een met redenen omklede, op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle beperkte of ingetrokken materiële opvangvoorzieningen.
2. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen tevens beperken indien zij kunnen aantonen dat de verzoeker zonder gerechtvaardigde reden na zijn binnenkomst in die lidstaat niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
3. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of intrekken indien een verzoeker financiële middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte van materiële opvangvoorzieningen gebruik heeft gemaakt.
4. De lidstaten kunnen sancties vaststellen op ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra en op ernstige vormen van geweld.
5. De in de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen of sancties worden individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 21 vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische hulp overeenkomstig artikel 19 en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat er geen materiële opvangvoorzieningen beperkt of ingetrokken worden voordat er een beslissing genomen is overeenkomstig lid 5.
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005)
Artikel 7, eerste lid:
Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen: sub j indien het een asielzoeker betreft die twee opeenvolgende malen niet heeft voldaan aan de meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie: twee weken nadat hij voor de eerste maal heeft verzuimd zich bij de Vreemdelingenpolitie te melden;
Artikel 12, tweede lid:
De asielzoeker, bedoeld in het eerste lid, zal zich iedere twee weken bij het COA moeten melden en de instemming bedoeld in het eerste lid moeten hebben verkregen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
2.Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking).
3.Dit artikel gaat over kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, etc.
4.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.