ECLI:NL:RBDHA:2025:19848
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang derdelander uit Oekraïne
Verzoeker, van Indiase nationaliteit en vallend onder de categorie derdelanders uit Oekraïne, had recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Zijn asielaanvraag werd buiten behandeling gesteld en een terugkeerbesluit genomen, waartegen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld.
De minister beëindigde de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025, waarna verzoeker werd geïnformeerd dat zijn tijdelijke bescherming zou eindigen. Verzoeker stelde beroep in tegen de brief van de minister, maar niet tegen het terugkeerbesluit. Hij verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening om de beëindiging van zijn opvang tegen te houden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van de minister geen besluit in de zin van de Awb is en dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf verleent. Hierdoor is de rechter kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de opvang wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens kennelijke onbevoegdheid.