De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft op 23 december 2024 de aanvraag ingediend en de minister op 24 juni 2025 schriftelijk in gebreke gesteld. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister nog geen besluit heeft genomen en dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Daarom legt de rechtbank een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel, waarbij binnen acht weken na de uitspraak een gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna een besluit moet worden genomen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor het geval de minister deze termijn overschrijdt.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 30 september 2025.