Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 14 januari 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 21 juli 2025 in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank constateert dat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist en dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Daarom bepaalt de rechtbank dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe termijn overschrijdt. Omdat de wettelijke bepalingen voor bestuurlijke dwangsommen per 15 april 2025 zijn komen te vervallen en de minister niet tijdig heeft beslist noch in gebreke is gesteld vóór die datum, kan de rechtbank geen reeds verbeurde dwangsom vaststellen.
De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier D.A.M. Delger op 30 september 2025.